I
Hij kuste haar. Hij boog zich
over haar heen en kuste haar. Ze smaakte naar zon en voorjaar.
Hier, op de brug over het
riviertje, hadden ze elkaar ontmoet. Als watermassa stelde het stroompje niet
veel voor en ook het bruggetje was niet meer dan een oversteekplaats voor de
lokale bewoners die te voet of met de fiets de overkant wilden bereiken. In de
voorbije weken hadden ze elkaar hier steeds ontmoet. Eerst was dat afgesproken,
maar later kwam er een vanzelfsprekende regelmaat in hun ontmoetingen. Het was
een voor de hand liggende plaats, want de brug bevond zich bijna halverwege hun
huizen. Hij deelde een huis met drie andere studenten in Deemster, zij had een
appartementje in het naburige dorp.
Voordat hij haar nogmaals kuste,
keek zij hem lachend aan en zei: “maar ik moet zó gaan hoor!”
Weken, maanden hadden ze om
elkaar heen gedraaid. Hij wist niet of alleen hij ervoor had gezorgd dat ze
elkaar steeds tegen kwamen, maar hij vermoedde dat ook zij de plekken had
opgezocht waarvan ze wist dat hij er zou zijn. Zij ging op zaterdagavond
uiteraard dansen. Het dorp waar ze woonde had sinds kort een echte disco en
‘Ring My Bell’ was de hit van de dag. Hij bewoog zich houterig, zich nauwelijks
een houding gevend, over de dansvloer. Na een paar glazen bier ging het
allemaal wat makkelijker. Natuurlijk zou hij bij de lezing van zijn favoriete
schrijver zijn, vlakbij in de stad. Was het toeval dat zij buiten de zaal met
haar broer stond te praten vlak voor aanvang van de lezing? Zij ging mee naar
binnen en luisterde aandachtig, of deed alsof, naar de uiteenzetting van ’t
Hart over zijn Vlucht Regenwulpen.
Een laatste, dit keer vluchtige,
zoen. “Morgen…”
Het zingt in hem als hij naar
huis loopt. Brug af, bos door, deur open. Hij wil zijn huisgenoten niet tegen
komen. Hij wil het gevoel op zijn lippen niet bederven door te moeten praten.
Hij wil de beelden op zijn netvlies niet kwijt, de klank van haar stem in zijn
oren niet verliezen. Ongeschonden bereikt hij zijn kamer. Hij ploft in
zijn stoel en blijft bewegingsloos. Zo zit hij een half uur lang: ogen gesloten
om zijn herinnering aan de momenten op de brug beter voor de geest te houden,
maar dan weer open om zich te vergewissen van de werkelijkheid om hem heen.
Een jaar geleden was hij verhuisd
naar deze kleine provinciestad. Vreemdeling in een vreemd land. Hij had de
strenge, stijve gemeenschap aan zee verlaten om zich hier op de zandgronden te
vestigen. Maar hoe kun je wortelen in los zand? Alles was hier los en nergens
leken regels voor. De moraal scheen hem ook elastisch toe, alles was toegestaan
als je het kon verdoezelen of rechtvaardigen. Woorden waren belangrijker dan
daden. Nu, een jaar later, was hij nog steeds op zoek naar vaste grond onder
zijn voeten.
De weken na die eerste kus zijn
wonderlijk intens. Alles is nieuw, alles is voor het eerst. Alles is vreemd.
Zij houdt van weggaan en uitgaan terwijl hij het liefst thuis is. Zij gaat naar
feestjes waarnaar ze hem slechts met de grootste moeite mee krijgt. Hij houdt
van boeken en lezen, zij van films in de
bioscoop. Zijn lijflied
is Sound of Silence; het hare Oh Happy Days. Áls hij eens uitgaat, dan
naar een kroeg om met vrienden bier te drinken terwijl zij naar de disco wil
waar ze cola of hoogstens een pisang ambon drinkt.
II
Wie van hen op het idee kwam,
weet hij niet meer. Opeens was het duidelijk: omdat ze zo anders waren moesten
ze samen een lang weekeinde weg: een paar dagen – en nachten! – samen zijn zou
helpen om alles wat verschillend was beter te begrijpen. Het zou de kust
worden. Zijn plek, zijn geboortegrond. Het leek hem niet meer dan logisch dat
ze nu zíjn grond onder de voeten zouden hebben. Hij belde een willekeurig
hotelletje in een plaatsje aan zee en boekte een kamer voor het weekeinde.
Op vrijdagavond zouden ze laat
aankomen. Ze konden vanwege haar baantje pas laat vertrekken en de trein deed
er tweeëneenhalf uur over. Ella werkte in een boekwinkel vlakbij het centrum
van Deemster, in een steegje waar niet veel mensen door kwamen. Alleen mensen
die het boekwinkeltje kenden, hadden reden om het straatje te bezoeken. Het
winkeltje was eigendom van ene Louis Houtzager, een vage vriend van haar
ouders. Het was zelfs Ella zelf niet duidelijk hoe zo’n oude man vriend van
haar ouders kon zijn; hij was minstens 80 jaar oud en had, naast heel dun
vlassig haar, ingevallen wangen ook een te ruim zittend kunstgebit. Toen Ella
nog studeerde en steeds geld tekort kwam, had Louis haar aangeboden om in zijn
zaak te komen werken. Hij zei dat hij zelf te oud werd en dat een boekwinkel
hele dagen open moest zijn, want mensen hebben op elk moment van de dag recht
om een boek te kopen. Het baantje, dat toen nog parttime was, was een
godsgeschenk geweest. Ze kon het zich daardoor veroorloven om te blijven wonen
in het appartementje dat niet lang daarvoor was vrijgekomen en dat haar
vrijheid en zelfstandigheid bood.
Ze namen de trein in de nabijgelegen
grotere stad, aangezien Deemster geen station had. De sneltrein bracht hen in
anderhalf uur naar hun overstapplek, waar ze voor het laatste deel van de reis
een boemeltreintje richting de kust zouden nemen. Dat laatste uur was een
aaneenschakeling van steeds onbeduidender wordende stationnetjes en een
voortdurende herhaling van afremmen en weer vaart maken. Bij het instappen in
dit stoptreintje hadden ze de zespersoons coupé voor zichzelf. De donkergroene
kunststoffen bekleding was glimmend gezeten door hun voorgangers. Het rook er
vaag naar de mierzoete bellenblaaskauwgum die hij tot hij naar het lyceum ging zo
vaak kauwde, meer om de plaatjes van wielrenners of voetbalspelers dan om de
smaak van het zwaar gesuikerde plakje gom. Ze gingen tegenover elkaar zitten en
Ella haalde uit haar tas twee delen van Bloemen op Zolder van V.C. Andrews, die
zij zich had voorgenomen te lezen dit weekeinde. Hij pakte één van de twee
boeken aan en begon enigszins verveeld te bladeren toen de deur van hun coupé
openschoof. Denkend dat het de conducteur zou zijn tastte hij zonder te kijken
in zijn tas naar zijn kaartje. Toen daar niet naar werd gevraagd keek hij op en
zag dat een man en vrouw van ongeveer dertig jaar het compartiment
binnenkwamen. Ze waren stemmig, zelfs plechtig gekleed en gingen zonder te
spreken net als Ella en hij tegenover elkaar zitten. Omdat de vrouw naast hem
zat kon hij de man goed opnemen. Hij had een serieuze blik die hij op een
onnatuurlijke manier alleen op de vrouw tegenover hem gericht hield. De man
pakte de handen van de vrouw tussen de zijne en zo zaten de beide medereizigers
een tijdlang tegenover elkaar. Het viel hem op dat de vrouw een rok aan had van
een lengte die hij sinds zijn allerjongste jaren niet meer had gezien. Zij
hield haar hoofd naar beneden gericht. Nadat de boemel weer een keer op een
onbeduidend stationnetje was gestopt, keek
de vrouw op en zei: “Het was een mooie dienst.”
Omdat de man niet reageerde,
probeerde zij het nogmaals: “Er waren veel mensen. En kinderen. Er waren veel
kinderen.”
Geen antwoord.
“Dat kwam natuurlijk omdat zij
zelf ook nog maar een kind was. Het is zó’n zonde als een kind gaat, vind je
ook niet?”
De man bleef strak naar zijn handen kijken,
waarin hij nog steeds die van de vrouw vasthield. Eindelijk gaf hij antwoord: “Ook
kinderen neemt Hij tot zich, wanneer hun tijd is gekomen.”
Het klonk als een verwijt aan
zijn metgezellin, die het hoofd weer boog.
“Noem het zonde als een kind
doodgaat en je trekt de bedoeling van de Heer in twijfel!” De vrouw kromp nog
verder in elkaar en mompelde een verontschuldiging. Het treintje kwam weer eens
tot stilstand bij een stationnetje. Blijkbaar was dit waar de man en de vrouw
eruit moesten, want ze stonden op en zonder ook maar in de richting van Ella en
hem te kijken verlieten ze de coupé. Even later zagen zij hen het kleine
stationsgebouwtje binnengaan.
“Jezus!”, zuchtte Ella, ”vrolijk
is ook anders.” Vergeefs zocht hij naar iets om te zeggen dat hun beider
bedrukte stemming wat zou verlichten. Na haar verzuchting was Ella ook stil
gebleven. Noodgedwongen stilzwijgend zaten ze tot hun overstappunt tegenover
elkaar. De stilte voelde ongemakkelijk aan. Uit ervaring wist hij dat hoe
langer geen van hen beiden iets zei, hoe moeilijker het werd. Minuten lang voelde
hij de knoop in zijn maag zich strakker trekken. Uitstappen bracht opluchting.
Het was donker en stil op hun
eindstation. De bushalte tegenover de uitgang van het station was verlaten. Bij
het licht van de straatlantaarn was net te lezen dat de laatste bus richting
’s Heerengorze nog twintig minuten op zich zou laten wachten. Om de stilte te doorbreken - hij had niet echt zin in automatenkoffie - stelde hij voor om twee bekertjes te halen in het nu bijna volledig duistere stationsgebouwtje. Toen hij terugkwam met twee kartonnen bekertjes die hij bijna niet kon vasthouden, zo heet waren ze, zag hij met een gevoel van opluchting dat Ella geïnteresseerd stond te kijken naar een poster die bevestigd was tegen het hek dat de bushalte scheidde van de erachter gelegen Stationsstraat.
’s Heerengorze nog twintig minuten op zich zou laten wachten. Om de stilte te doorbreken - hij had niet echt zin in automatenkoffie - stelde hij voor om twee bekertjes te halen in het nu bijna volledig duistere stationsgebouwtje. Toen hij terugkwam met twee kartonnen bekertjes die hij bijna niet kon vasthouden, zo heet waren ze, zag hij met een gevoel van opluchting dat Ella geïnteresseerd stond te kijken naar een poster die bevestigd was tegen het hek dat de bushalte scheidde van de erachter gelegen Stationsstraat.
“Jorn, kijk! Er is een
voorstelling in dat dorp!” De plaatsnamen van de kuststreek waren zo vreemd
voor Ella, dat ze moeite had ze te onthouden en zelfs ze uit te spreken. Maar
wat ze zei, klopte. Hij stak haar snel één van de twee bekertjes koffie toe en
wapperde zijn oververhitte vingers. De poster was bijna helemaal zwart. In het
halfduister waren de donkerrode, bijna paarse letters nauwelijks te lezen. Wat
hij kon zien van de afbeelding was een verontrustende tekening van een oosters
uitziende man met priemende ogen. Een waarzegger? Een handoplegger? Hij keek
beter en zag dat een hypnotiseur het dorp zou aandoen. Voor de volgende avond
werd een ‘Spectaculaire show’ met ‘ondoorgrondelijke mysteriën’ aangekondigd.
Achter de afgebeelde man, die klaarblijkelijk de hypnotiseur moest voorstellen,
kon hij nu nog andere gestalten ontwaren. Er waren lachende, maar ook heel
droevig uitziende mensen, een man met iets op zijn hoofd dat er uitzag als een
ouderwetse onderbroek en een vrouw die haar hoofd achterover hield alsof ze een
jankende wolf nadeed. Het geheel maakte op hem een griezelige indruk. De ogen
van de hypnotiseur prikten als naalden uit de poster en de wolf-vrouw leek net
iets te lange hoektanden te hebben. Zelfs de lachende mensen leken zó getekend
dat het was alsof ze lachten om het verdriet of de pijn van anderen.
“Ik weet niet…vind jij de poster
er ook zo griezelig uitzien?”
“Misschien een beetje. Maar wat
geeft het?”
Ella zag de lol wel in van een
avondje hypnose spektakel, al was het alleen maar om te lachen, samen plezier
te hebben om mensen die ongetwijfeld deden alsof ze onder invloed stonden van Mister
Magno, zoals hij nu zag dat de hypnotiseur heette. Hij was Mister Magno in elk
geval dankbaar dat hij de bedrukte stemming had verjaagd. Ella leek het stel in
de trein te zijn vergeten toen de bus arriveerde.
Ze kochten een kaartje bij de
chauffeur, die hen zwijgzaam en enigszins achterdochtig aankeek. De bus was
leeg op een gestalte na, die onderuitgezakt op de brede achterste bank hing.
Zijn houding deed vermoeden dat het een opgeschoten puber was, die op de
terugweg was naar zijn woonplaats na in het stadje wat te hebben gedronken.
Ella koos een bank twee rijen achter de bestuurder. Net als de trein had de bus
een geur die oud aanvoelde. Was dit de geur die je kreeg als je maar voldoende
luchtjes en geuren van honderden verschillende mensen mengde? Vroeg hij zich
af. De bus zou nog een half uur doen over de rit naar ’s Heerengorze. Langzaam
trok de bus op en begon aan de tocht. Toen het stationnetje eenmaal achter hen
lag, was het buiten zo donker, dat zelfs het weinige, vale licht in de bus
voldoende was om de ruit tot een spiegel te maken. Hij keek voorbij Ella naar
hun weerspiegeling. De kromming van de ruit maakte dat hun spiegelbeelden
korte, stompe hoofdjes hadden die veel verder van elkaar verwijderd waren dan
in werkelijk het geval was. Zelfs toen Ella haar hoofd op zijn schouder legde,
leek het door zijn donkergekleurde jas alsof haar hoofd schuins in het
luchtledige naast het zijne zweefde.
“Ruik je de zee?”
“Ik ruik zout, zeewier en vis. Lekker……zullen
we morgen lekker vis eten?”
Straatlantaarns waren hier ver
uit elkaar geplaatst, zodat de wandeling van de bushalte naar het hotelletje
een langzaam ritme had van donker en licht. De deur van het hotel was niet
alleen dicht, maar zat ook op slot. Er zat niets anders op dan aan te bellen. In
het stille hotel, in de stille straat, klonk de ouderwetse bel.
Luid genoeg om de doden te wekken,
schoot hem te binnen. In het hotel sprongen lichten aan, deuren werden geopend
en een vrouw van een jaar of veertig stond voor hun neus.
“Hoeienaovend. Julder èh hebeld?”
Ella keek hem vragend aan. Hij
keek terug en zag dat dat niet slim was. Ze stond op het punt een giechelaanval
te krijgen. Hij bevestigde dat zij inderdaad telefonisch hadden gereserveerd.
Toen hij ook bevestigde dat zij de heer en mevrouw van der Stappen waren voelde
hij dat hij kleurde toen de vrouw hem met een ironisch lachje aankeek. Ze
mochten hier dan principes hebben, als er in het laagseizoen een paar centen te
verdienen waren, werd er een oogje toegeknepen, besefte hij.
“Veel gasten?” vroeg hij
onschuldig. Uit het antwoord kon hij opmaken dat behalve Ella en hij nog een
stel te gast was en een man alleen. Met een bijna onzichtbaar lachje vertelde de
vrouw dat de kamers naast die van hun leeg waren. Hij knikte en met zijn rugzak
over één schouder ging hij Ella voor naar de hen aangewezen kamer. Hij had de
deur nauwelijks achter zich gesloten of Ella liet zich proestend op het
tweepersoonsbed vallen.
“Jij verstáát dat gewoon! Wat een
boerentaaltje! Ik kan er geen woord van volgen!”
III
Zoals altijd wanneer hij in een
vreemd bed slaapt, is hij vroeg wakker. Alsof zijn lichaam ook in de slaap, in
het onderbewuste, registreert dat de normale gang van zaken is verstoord en het
alerter moet zijn dan anders. Hij is dus ook meteen klaarwakker; het heeft geen
zin te proberen weer de slaap te vatten. Naast hem slaapt Ella nog diep. Voor
het eerst wordt hij wakker naast zijn geliefde, denkt hij en ondanks dat niemand
deze gedachte zou kunnen hebben gehoord, grijnst hij om dit vormelijke woord.
Hij kijkt naar haar en zijn hart gloeit: bestaat er iets onschuldigers dan zijn
slapende vriendin? Natuurlijk hebben ze
gisterenavond niets gedaan dat ze al niet eerder hebben gedaan, maar dit
moment, dit wakker worden is nieuw. Het lijkt wat ze hebben te bestendigen en
hoewel zijn gedachten terugschrikken van het woord ‘definitief’, blijft dat
woord in zijn hersenpan rondcirkelen.
Ze zijn de laatsten die de kleine
ontbijtzaal binnenkomen. Het andere stel, zoals de eigenaresse hen noemde,
blijkt een echtpaar van middelbare leeftijd te zijn. Ze worden door hen
vriendelijk, bemoedigend lijkt het, toegeknikt. Pas wanneer ze een tafeltje
hebben gekozen zien ze in een hoek een oude man zitten. De man is grijs. Alles
aan de man is grijs. Zijn haar, zijn broek, schoenen, jasje, zelfs zijn handen,
zijn borstelige wenkbrauwen en de huid van zijn gezicht lijken grijs, grauw.
Wanneer hij ziet waar zij gaan zitten, staat hij op en gaat op een andere stoel
aan zijn tafel zitten, zó dat hij hen niet zien kan.
“Hij mag zijn wenkbrauwen wel es
laten permanenten”, giechelt Ella.
Hij lacht wat met haar mee
terwijl hij naar de rug van de grijze man kijkt. Zijn gedrag bevreemdt hem en
op de één of andere manier lijkt de hen toegekeerde rug afkeer of vijandigheid
uit te stralen. Als jongetje leefde hij
voor complimentjes van zijn vader en moeder en kon hij uren van streek zijn
door hun afkeurende blik of zelfs door hun ongeïnteresseerdheid wanneer zij te
druk waren om meteen op zijn bouwwerkjes of tekeningen te reageren. Schoolvriendjes
konden hem vreselijk kwetsen door iets onsympathieks tegen hem te zeggen. Nog
steeds vindt hij animositeit moeilijk te begrijpen. De mans gedrag krenkt hem
dan ook op een irrationele manier.
“Kom! Naar buiten!”
Ella heeft gelijk. De zon staat
laag boven de duinen en strijkt over het strand. Zo’n honderd meter
zee-inwaarts hangt een dichte mistbank. Soms komen flarden het strand op waar
ze lopen. In zo’n mistbank is het graden kouder en Ella kruipt dan dicht tegen
hem aan. Maar meestal is het op het strand heerlijk. Die ochtend lopen ze naar
het volgende plaatsje aan zee waar ze aan het haventje lunchen. Vanuit het
restaurant hebben ze uitzicht over het haventje. Het zijn meest plezierjachten
die in- en uitvaren, maar soms doemt een enkele vissersboot op uit de mist en
vaart de haven binnen. Dan is het korte tijd een drukte met kabels en netten.
Koelwagens nemen de lading over terwijl de bemanning een oogje in het zeil
houdt. Hij ziet een man van minstens 70 jaar geleund tegen een steunbeer bij de
haveningang. Even denkt hij dat het de grijsaard van de ontbijttafel is, maar
dan lacht de man, terwijl hij roepend een aanwijzing geeft aan de chauffeur van
de koelwagen. De man hoort overduidelijk
bij de vissersboot. Wat een leven is dat, wat een leven heeft zo iemand gehad.
Dag na dag dezelfde tocht, soms op zoek naar betere visgronden wat verder weg
of dichterbij, maar het ritme van de dag steeds hetzelfde. Behalve natuurlijk
op zondag, want op zondag wordt hier niet gewerkt. Alles dat op werken lijkt is
dan taboe. Als je hier op een zondag zonder benzine komt te zitten, heb je pech
gehad. Hij kijkt op. De koelwagen en ook de oude man zijn weg. De vissersboot ligt
stil in de haven om morgen weer uit te varen.
Na de lunch lopen ze langs de
haven naar het strand om weer terug te gaan. Het is vloed geworden. Het losse
zand maakt het lopen zwaar. Wanneer ze laat in de middag terug komen in ’s
Heerengorze, wint de mist terrein en is het ijskoud. Hij kijkt naar Ella. De
mist heeft zich aan haar gehecht in minuscule druppeltjes op haar haar. Hij
lacht.
“Wat?” Hij schudt alleen zijn
hoofd en zwijgt. Rillend vallen ze hun hotelkamer binnen.
IV
Mister Magno wordt voorafgegaan
door een goochelaar. De jongeman - blonde lok over het gladde voorhoofd,
strakke pantalon en zwierige boezeroen – heeft als ondankbare taak het weinige
publiek op te warmen voor de hoofd-act. Zonder veel respons laten de
toeschouwers, die behalve Ella en hij allemaal tot de plaatselijke bevolking
lijken te behoren, de plichtmatige konijnen-uit-hoeden en doorgezaagde
assistentes over zich heen komen. Wanneer het duidelijk wordt dat de
illusionist zijn laatste truc heeft getoond, klinkt het applaus wat harder dan
voorheen en bijna opgelucht.
Jorn haalt voor hen beiden een
drankje bij de bar. Terwijl hij zijn bestelling van een bier en een witte wijn
doorgeeft ziet hij dat andere bezoekers het houden op chocomel en appelsap. Een
enkele durfal gaat aan de cappuccino. Alcohol is hier duidelijk niet populair.
Dat wordt nog eens extra duidelijk wanneer hij op zijn flesje kijkt en ziet dat
de uiterste verkoopdatum meer dan een jaar eerder is verlopen. Voor de
zekerheid bestelt hij ook nog maar twee cola. Als hij weer naast Ella gaat
zitten en haar wil waarschuwen voor de wijn, wordt de zaal verduisterd en zwelt
onheilspellende muziek zachtjes aan. Verlichting in de vloer van het toneel
schijnt op toneelmist in diverse kleuren.
Een spot zoekt over het toneel naar zijn doel. Mr Magno loopt het toneel
op. Hij ziet er uit zoals Jorn had verwacht: een gedistingeerde, goed gekapte
man in driedeling zwart kostuum. Zijn haar, snor en kort sikje zijn ook zwart.
Magno komt vooraan op het toneel staan en is door de spot volledig uitgelicht.
De muziek stopt. Dit is het moment voor een verwelkomend applaus, en Ella en
Jorn heffen hun handen om te gaan klappen, maar er gebeurt niets. Het is stil. Magno
lijkt heel even uit zijn rol te vallen, maar hij herpakt zich en begint het
publiek te bedanken voor hun komst. Het enige effect is dat de stilte dreigend
gaat lijken. Magno gaat schijnbaar onverstoord verder en draait gladjes en routineus
een inleidend verhaal af over de aard en geschiedenis van hypnose.
Onvermijdelijk is daar dan het moment waarop Magno om vrijwilligers vraagt: “
….voor een onschuldige demonstratie. Ik zal de mensen in trance natuurlijk goed
behandelen, en als ze zich als een kip zonder kop gaan gedragen zal ik er
persoonlijk op toezien dat hen niets overkomt!”
Het ‘kip zonder kop’ is voor iedereen in het publiek een
duidelijke aanwijzing. Niemand reageert. Magno probeert het nogmaals en wijst
het publiek erop dat hij zonder medewerking geen show kan maken.
“Handlanger van Satan!”
Wie het heeft geroepen is niet
duidelijk, maar het is het signaal voor bijna iedereen in het publiek om
beschuldigingen van dezelfde aard richting Magno te brullen:
“Hypnose is gemeenschap met de
duivel! Weg met jou, wegbereider voor demonen! Antichrist! Kerk van Satan!”
Het publiek staat op en dringt
naar voren. Jorn pakt Ella bij de hand en samen bewegen ze zich naar de zijkant
van de zaal. Gefascineerd kijken ze toe hoe het publiek als één man het lage podium bedreigt en beklimt. De
ironie is, denkt Jorn, dat de dorpelingen wel onder invloed van een soort
bezwering lijken te handelen. Magno is van het podium verdwenen en als de
zaallichten aan gaan, komt het opdringerige publiek tot stilstand. Niemand weet
goed wat er nu moet gebeuren. Anderen - jonger, meer opgegroeid in de stad,
minder gezagsgetrouw - zouden misschien zijn gaan vernielen, hadden misschien
met stoelen of decorstukken gegooid, maar deze dorpelingen, deze godsvruchtige,
sombere lieden zijn stuurloos nu hun doelwit uit het oog is verdwenen.
Schaapachtig staan ze op het podium.
Dan ziet Jorn een gestalte die
hij kent. De grauwe grijze man van de ontbijtzaal kijkt hem aan en zijn ogen
vlammen weerzin in zijn richting. De man doet een paar stappen in hun richting.
Om hem heen volgen de dorpelingen zijn beweging. Zwijgend staat de man Jorn en
Ella aan te kijken. De mans blik maakte Jorn ongemakkelijk. Het lijkt of hij
een studie van hen maakt en daarbij iets ontdekt dat hem steeds minder bevalt. De
walging is van zijn gezicht te lezen.
“Zonde!”, roept de man plotseling uit.
“Pardon?”, vraagt Jorn, verbluft.
“Jullie leven in zonde. De Heere verbiedt het samenzijn van hen die niet in zijn kerk tot man en vrouw zijn verklaard.” Hij kan de dubbel E bijna horen als de man het over de ‘Heere’ heeft en uit zijn mond klinkt het woord ‘samenzijn’ zonder meer obsceen. Zijn gezicht neemt de uitdrukking aan die hij kent uit de kerk van zijn geboortedorp: een combinatie van vervoering en fanatisme waarbij hij zich altijd al slecht had thuis gevoeld. Hij voelt dat Ella naast hem verstijft, en hoewel hij weet dat tegen dit fanatisme geen kruid gewassen is en het enige dat je kan doen is het negeren, voelt hij zich genoodzaakt om iets te zeggen.
“Pardon?”, vraagt Jorn, verbluft.
“Jullie leven in zonde. De Heere verbiedt het samenzijn van hen die niet in zijn kerk tot man en vrouw zijn verklaard.” Hij kan de dubbel E bijna horen als de man het over de ‘Heere’ heeft en uit zijn mond klinkt het woord ‘samenzijn’ zonder meer obsceen. Zijn gezicht neemt de uitdrukking aan die hij kent uit de kerk van zijn geboortedorp: een combinatie van vervoering en fanatisme waarbij hij zich altijd al slecht had thuis gevoeld. Hij voelt dat Ella naast hem verstijft, en hoewel hij weet dat tegen dit fanatisme geen kruid gewassen is en het enige dat je kan doen is het negeren, voelt hij zich genoodzaakt om iets te zeggen.
“Nou meneer…….”, begint hij zwakjes. Maar de man let niet op
hem. Hij richt zich tegen Ella en gaat door: “Jij hebt hem hiertoe verleid. Het
is jouw schuld. Zondig! Zondig ben je!”
Ella zegt niets, haar gezicht wordt rood terwijl ze naar
beneden kijkt. Jorn voelt zich genoodzaakt iets te zeggen: “Meneer, ik weet niet wie u bent maar dit
slaat echt nérgens op. Hou op! Dit is schandalig!”
“Jullie zijn schandalig! ZIJ is schandalig! Jezebel! Lilith!”
“Jullie zijn schandalig! ZIJ is schandalig! Jezebel! Lilith!”
Hij wijst beschuldigend op Ella,
die steeds verder ineenkruipt. De mans uitbarsting trekt natuurlijk de
belangstelling van de amorfe massa. Hoewel op de gezichten de nieuwsgierigheid
nog de overhand heeft, voelt het als een bedreiging in de belangstelling te
staan van al die vreemden die zopas hebben gemerkt dat ze een Bekende
Nederlander kunnen verjagen. Deze adolescenten zijn van een veel minder
kaliber. Ondertussen is de grijze man nog niet uitgetierd: “Was het niet Eva
die Adam verleidde tot de eerste zonde? Was het niet Bathseba die David
verleidde? Was het niet Delilah die met een list Samsons krachten ontfutselde?”
De rest van de meute dringt
steeds verder op en onder aanvoering van de grijze man drijven zij Jorn en Ella
in het nauw. Jorn pakt Ella’s hand en kijkt om zich heen. Het groene bordje dat
de nooduitgang aangeeft toont een poppetje dat door een open deur
wegvlucht. Wegvluchten lijkt een goed
idee en hij trekt Ella in de richting van de branddeur. Terwijl hij de stang
naar beneden drukt en zo de deur opent kijkt hij om en ziet dat de massa
weliswaar steeds angstaanjagend er oogt, maar tot zijn opluchting geen
aanstalten maakt om hen te volgen. Hij
hoort de man nog brullen over een poel van zwavel en vuur en eeuwig branden,
maar met Ella’s hand nog steeds in de zijne rent hij richting hotel.
V
De terugweg naar Deemster is opnieuw een opeenvolging van
stoptreinen. De geur van bezoedelde lucht lijkt wel in elk compartiment van
elke trein te hangen. Misschien is het die zompige lucht die maakt dat ze hun
mond niet willen openen om te praten. Na de stoptreinen komt de sneltrein en
tenslotte hun fiets naar hun woonplaats. Bij het huisje van Ella aangekomen
slaat Jorn zijn armen om haar heen. Ze voelt weerbarstig en afwezig,
beschadigd.
Als hij Ella in de dagen daarna belt is ze meestal
letterlijk afwezig en als hij haar wel te spreken krijgt is ze afwijzend en
weigert ze met hem af te spreken. Na een week geeft hij het op. Hun
vriendengroepen en vrije tijdsbesteding zijn zo verschillend dat ze elkaar niet
tegenkomen. Als hij haar maanden later
van grote afstand ziet heeft hij niet de moed haar te groeten.
.
