Altijd als hij naar huis
terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.
Hij verbaasde zich over deze
gedachte, of beter gezegd: hij verbaasde zich over zichzelf. Het was een
gedachte zoals andere mensen die hadden, mensen die niet alleen dit soort gedachten
in hun hoofd hadden, maar ze ook hardop durfden uit te spreken. Het waren
mensen die zich niet schaamden om te zeggen dat ze een stuk muziek mooi vonden,
mensen die tot tranen geroerd werden door een schilderij, of mensen die kwaad
werden om een boek. Hij vond het altijd lastig om met deze mensen te praten, om
niet gegeneerd te raken door hun enthousiasme. Hij begreep hen niet. In zijn
hoofd noemde hij deze mensen ‘war-mensen’. Dat betekende dat hij in de war
raakte door hun geestdrift, maar zeker ook dat hij vond dat deze mensen zelf in
de war waren. Zelf was hij niet zo. Muziek was muziek en verdreef de stilte
zoals een schilderij een muur minder leeg maakte. En de enige boeken die hij
las waren handleidingen voor zijn technische bouwdozen. Daar werd hij niet
kwaad om, want als een bouwpakket niet
werkte las hij de instructies nog een keer om zijn eventuele fout op te sporen
en dan begon hij opnieuw.
Het dorp waar hij woonde heette
Deemster en lag aan drie kanten omsloten door een bos. De enige grotere weg
eindigde in het dorp en leidde als nauwelijks meer dan een karrespoor door het
bos naar de andere kant. Alleen tractors en voetgangers maakten er gebruik van.
Alle autoverkeer in en uit het dorp ging langs de weg waarop hij nu reed. Hij
zat op de oncomfortabele achterbank van het autootje van zijn ouders met een
koptelefoon op zijn oren te luisteren naar muziek op zijn bandrecorder. De
bandrecorder was één van de allereerste modellen die werkten op batterijen en
daardoor draagbaar waren. Hij had het apparaatje voor zijn 14e
verjaardag gekregen van zijn ouders. Met veel geduld had hij nummers van de top
40 van de radio overgenomen, zo zorgvuldig mogelijk de stem van de disc jockey
vermijdend. Wat ergerde hij zich als zo iemand door een plaat heen praatte! Hij
wilde de nummers van de eerste tot de laatste noot opnemen en beluisteren.
De rit heen en terug naar de
woonplaats van zijn grootouders was lang en saai en moest minstens vier keer
per jaar worden afgelegd. In de schemering zongen de Golden Earring toepasselijk
‘Back Home’ in zijn oren. Dit was de eerste keer dat hij bij terugkeer werd
overvallen door die duistere gedachte.
Altijd als hij naar huis
terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.
Dat was zeker waar in de winter.
De schemering aan het einde van de middag maakte dat de bossen nog donkerder en
dreigender leken dan tijdens zonniger jaargetijden. Gelukkig lag de donkerste
tijd van het jaar achter hen.
Zijn vader reed het autootje
achter het huis over het sintelpad. De winters van de afgelopen jaren knerpten
onder de bandjes. Het donkere huis helde dreigend hun kant op tot zijn vader de
achterdeur van het slot had gedraaid en het licht aan deed.
“Ik ben moe, ik ga meteen door
naar bed”, zei hij en liep al de trap op. De volgende dag lonkte en in een
streven zo snel mogelijk aan die verse vrijheid te beginnen wilde hij zo snel
mogelijk zijn bed in om de slaap de tussenliggende tijd te laten uitwissen.
Het licht wekte hem. Zijn
gordijnen waren niet volledig gesloten en lieten een straal zonlicht door.
Wakker zijn en kunnen blijven liggen was een luxe die hij aan het ontdekken
was. Hij had de kindertijd met z’n onbezorgde enthousiasme afgesloten, maar was
nog niet een cynische puber. Hij genoot van het moment. Hij genoot van het idee
dat buiten zijn kamer, aan de andere kant van zijn gordijnen de zon al volop
scheen. Daar buiten was een wereld die op hem wachtte. En hij wachtte op het
goede moment om er in te stappen.
Vorige week had hij een pad
ontdekt in het bos, een pad dat hij tot dat moment niet kende. Het bos was
uitgestrekt en hij en zijn vrienden bleven meestal op één of twee bekende
plaatsen hangen om hun hutten, hun dammen te bouwen en – nee, het was
natuurlijk verboden – hun vuurtjes te
stoken. Vorige week toen zijn twee beste vrienden eerder dan hij naar huis
moesten had hij het pad ontdekt. Hij had wat door het bos geslenterd omdat hij
nog geen zin had binnen te zitten. Zonder te weten waarheen hij op weg was, in
gedachten verzonken, was hij gekomen op een plek die hij nauwelijks herkende. Het
pad dat hij kruiste kende hij helemaal niet. Hij had het een klein stukje
gevolgd. Het leek noordwaarts te voeren, want de zon was aan zijn linkerkant
aan het zakken, maar meer wist hij niet. Vandaag zou hij meer te weten komen.
Vandaag zou hij dat pad volgen.
Zijn ontbijt at hij zittend aan
de keukentafel. Hij maakte drie extra boterhammen, pakte een tupperwarebeker
die hij vulde met melk en riep naar zijn moeder dat hij niet thuis zou zijn met
het middageten. Hij propte zijn proviand
in de achterzakken van zijn spijkerbroek en stapte de achterdeur uit. Het was
maar een korte afstand naar het bos, maar hij wilde een kleine omweg maken. Deze
expeditie moest hij alleen doen. Hij
wilde niet het risico lopen dat één van zijn
vrienden hem langs hun huis zou zien gaan en dus moest hij hun straten
mijden. Eénmaal in het bos aangekomen, wist hij al snel de plek te vinden die
hem vorige week zo onbekend leek. En ook het pad richting het noorden –nu wist
hij het zeker; de zon scheen op dit vroege tijdstip van schuin rechtsachter –
was snel gevonden. Hij was bijna een beetje teleurgesteld: tot nu toe ging zijn
ontdekkingsreis té makkelijk, met té weinig mysterie. Als het zo door ging,
liep hij het pad af en kwam hij na een half uur in het volgende dorp.

Toen hij nog veel jonger was
hadden zijn ouders hem eens meegenomen naar een park waarvan hij de naam was
vergeten. Zij hadden daar gepicknickt en zijn ouders waren een beetje jolig
geworden van de witte wijn en de zon. Hij had hen alleen gelaten en was terecht
gekomen bij wat eerst een dicht bosje leek, maar wat even later een doolhof
bleek te zijn. Toen hij zich realiseerde dat er systeem zat in de paden door
het ‘bosje’, was het te laat geweest en kon hij met geen mogelijkheid de weg terug
vinden. Er zat niks anders op dan doorlopen en hopen dat hij iemand anders
tegen kwam of toevallig de uitgang vond. In plaats van paniek voelde hij een
kalmte over zich komen en hij genoot van het mooie weer, de stilte en het
alleen zijn. Toen hij op een grote open plek kwam, waar in het midden een klein
fonteintje stond, nam hij een paar slokken van het koele water en ging in het
gras liggen. Nadat hij een droomloos half uur had geslapen stond hij op en liep
zonder te aarzelen naar de uitgang. Zijn ouders hadden hem niet gemist want ze
waren in slaap gevallen op de picknickdeken. De wijnfles was leeg.
Hetzelfde gevoel van kalmte
ervoer hij nu terwijl hij het pad volgde langs de waanzinnige kronkels die het
voor hem in petto had. Welk nut diende een pad als dit? Niemand zou dit pad
volgen om van A naar B te komen, maar toch was het duidelijk een pad. Op de
meeste plaatsen was het net iets meer dan een meter breed, maar soms versmalde
het zich tot de helft daarvan. Een heel enkele keer leek het dood te lopen,
maar als hij dan goed keek vond hij een doorgang en kon hij zijn weg
vervolgen. Nadat hij een uur het pad had
gevolgd kwam hij bij zo’n versmalling waarbij het leek alsof hij tegen een muur
van stammen en bladeren aan zou lopen. Hij wrong zich tussen twee armdikke
takken door en keek om zich heen. Hij stond aan de rand van een open plek ter
grootte van vier doorsnee huiskamers. De grond was redelijk vlak en begroeid
met gras en tijm. Toen hij erover liep steeg de kruidengeur op en herinnerde
hem eraan dat het al uren geleden was dat hij wat had gegeten. De plek was min
of meer cirkelvormig en aan precies de andere kant van waar hij nu stond,
bevond zich een klein hutje. Het puntdak was even hoog als de toppen van de
bomen. Terwijl hij de open plek over stak hoorde hij het gekwetterd van een
zwerm vogels. Hij keek in de richting van het geluid en zag dat ze opstegen uit
het bos niet ver van de plek waar hij de cirkel was betreden. Hij liep door. De
muren van het hutje waren gemaakt van palen. “Waar haal je hier palen die recht
genoeg zijn?” vroeg hij zich af. Inmiddels was hij zo dichtbij dat hij kon zien
dat er een ingang van hetzelfde hout was gemaakt. Hij besloot eerst om het
hutje heen te lopen en zo vond hij aan de rechterzijkant een opening die je met
enige fantasie een raam zou kunnen noemen. Hij keek erdoor naar binnen. Terwijl
hij wachtte tot zijn ogen aan het donker in het kleine kamertje gewend waren
had hij tijd om de vochtige, mossige lucht uit het huisje te proeven. Het was een slaapvertrek van het eenvoudigste
soort. Op de aangestampte aarden vloer stonden een keurig opgemaakt ledikant
met een tafeltje naast het hoofdeinde en een kruk. Dat was al het meubilair. Op
het tafeltje stond een klein vaasje met daarin een enkele roos. Hij dacht dat
hij daaruit mocht afleiden dat het slaapvertrek aan een meisje of vrouw
toebehoorde. Hij liep terug en ontdekte aan de linkerkant van het hutje een
soortgelijke opening die hem een blik verschafte op een al even spaarzaam
ingerichte kamer die diende als keukentje en eetkamer. Nog steeds geen teken
van de bewoner. Bewoonster. De roos en het ontbreken van rommel bevestigden
zijn eerste indruk dat hier een vrouw woonde. Maar waar was ze? Hij was nog
niet aan de achterzijde van het woninkje geweest. Aan de achterkant was een
deuropening. Vanaf die deur liep een pad – was dit waar zijn kronkelpad verder
ging? – een pad liep het bos in. Hij volgde het. Het pad kronkelde iets minder
en de begroeiing aan weerszijden leek iets minder dicht, de stammen iets
rechter en gezonder alsof de nabijheid van de bewoonster een helende werking
had en datgene wat de rest van het bos een ziekelijke aanblik gaf teniet deed.
Tussen de stammen en bladeren door zag hij water. Hij kwam aan bij een
vennetje, een meertje. Het water glinsterde in de zon en een enkele eend dreef
op het water, af en toe de kop onder het oppervlak stekend op zoek naar iets
eetbaars. Libellen en waterjuffers vlogen in onregelmatige, schokkerige banen
boven het water. Aan zijn rechterkant was de oever niet begroeid. Daar zat, aan
het water, de bewoonster van het hutje dat hij zojuist had gezien.
Meisjes hadden nog geen enkele
rol van belang gespeeld in zijn leven. Ze waren er, net zoals er bomen waren in
het bos of dieren in een dierentuin. Natuurlijk deed hij mee in de gesprekken
van zijn klasgenoten over de meiden in de klas. Hun beginnende rondingen waren
onderwerp van gesprek en een blik van één van hen in de richting van één van de
jongens gaf aanleiding tot wilde speculaties wat zij allemaal zou kunnen en
willen doen. Natuurlijk droeg hij zijn steentje bij aan die bespiegelingen,
maar als hij eerlijk was wist hij eigenlijk niet waarover die gesprekken
precies gingen. Hij wist wat mannen en vrouwen samen deden want hij had de
plaatjes gezien die zijn klasgenoten soms meenamen naar school. Hij wist
waarvoor het diende en hoe alles werkte, maar hij had al die lichamelijkheid en
intense gevoelens nooit met zichzelf in verband gebracht. Het had allemaal niks
met hem te maken. Hij deed mee met de gesprekken om zichzelf een houding te
geven en erbij te horen.
Hij bleef staan achter de veilige
beschutting van de stammen en bladeren en keek naar het meisje. Dat had hij dus
goed geraden: het was een meisje. Ze
leek geconcentreerd bezig, gebogen over haar werk terwijl ze met haar rug naar
hem toe zat. Hij zag haar gekromde rug, haar lange, bijna zwarte haar en de
jurk die ze aanhad. Of ja, was het een jurk? Je zou het beter een gewaad kunnen
noemen want het leek een primitieve, grof geweven stof en tamelijk vormloos. Door
haar houding was de stof over haar rug gespannen en als hij had gewild, had hij
haar wervels kunnen tellen. Meer op gevoel dan op uiterlijk schatte hij haar
één, misschien twee jaar ouder dan hijzelf. Hij hield zich doodstil terwijl hij
probeerde te zien wat ze aan het doen was. Ze zat van hem afgekeerd op haar
knieën, zodat hij de zolen van haar blote voeten zag met de tenen half dubbel
gevouwen. Die tenen vertederden hem; zo klein en zo in de verdrukking terwijl
zij, de eigenaresse, er geen acht op sloeg. Zij was intensief met iets heel
anders bezig. Een kleine vogel – was het een eendenkuiken? - was verstrikt
geraakt in touw of in een net. Hij zag het niet precies. Het meisje probeerde
het beestje te bevrijden terwijl het diertje in paniek fladderde en
tegenstribbelde. Hij hoorde haar zacht tegen het eendje praten. Ze leek enig
succes te hebben, want er kwam wat beweging: ze draaide zich half in zijn richting en nu zag hij dat het eendje
inderdaad in een net vast zat. Het meisje kon nu wat rechterop zitten en zij
draaide zich nog wat meer in zijn richting. Hij hield zijn adem in. Hij wist
dat Zij – de hoofdletter dacht hij er bij – dat Zij hem niet mocht zien. Hij
keek naar Haar ernstige, aandachtige gezichtje dat hem nog meer ontroerde dan
Haar tenen gevouwen onder Haar voeten. De rimpels van concentratie boven Haar
neus deden hem denken aan een elfje met een serieuze missie. Eindelijk had Ze
succes: met een brede glimlach van genoegen haalde Zij de laatste draadjes van
het pootje van het diertje en zette het op de oever. Het beestje waggelde
richting water en zwom zo snel als het kon weg van de plek waar het gevangen
had gezeten. Het Meisje stond op en tilde haar gewaad tot boven de knieën toen
Ze het water in liep. Hij kon zich niet verroeren terwijl Zij met een vage lach
om Haar lippen door het water waadde. Ze schopte wat spetters en maakte een
paar halve danspasjes in het water. Hij dacht dat hij Haar hoorde neuriën. Het
gewaad nog steeds met beide handend op houdend, kwam Ze weer naar de oever,
zijn kant op. Hij zag Haar knieën, de knieschijven nog rood van het erop zitten
en de zachte huid van haar blote benen boven de knieën. Gelukkig keek Zij naar
de grond, naar waar ze liep; er leek weinig gevaar voor ontdekking. Zij ging
helemaal op in haar eigen gedachten. Ze ging zitten op een grote omgevallen
boom. Ze had haar gewaad weer losgelaten zodat alleen Haar voeten er nog
onderuit staken. Toen deed Ze iets onbegrijpelijks: Ze stak Haar arm uit, recht
vooruit, terwijl Ze om zich heen keek naar de boomtoppen en tuitte onderwijl
Haar lippen. Hij wist zeker dat hij Haar hoorde fluiten: korte, schelle tonen.
Een lokroep. Ze hoefde niet lang te wachten. Een vogeltje kwam uit de top van
een boom en zette zich zonder aarzelen op Haar uitgestoken hand. Het was een
musje. Het was het allergewoonste vogeltje dat hij kende. Het beestje zat
zonder angst op Haar vingers en leek Haar gefluit te beantwoorden. Het meisje
hield op met fluiten en kort daarna maakte het musje ook geen geluid meer. Zij
glimlachte naar het vogeltje. Hij stond aan de grond genageld toe te kijken
toen Zij zich langzaam, terwijl Haar glimlach alleen nog maar stralender werd,
in zijn richting draaide. Het vogeltje bleef al die tijd rustig zitten. Zij
richtte haar blik in zijn richting. Zij keek hem recht in de ogen. Hij zag de
donkerbruine irissen, de twinkeling, de vraag, de belofte in Haar ogen.
Hij stiet een geluidje uit en
draaide zich weg. Weg van Haar, weg van het onbekende, weg van het antwoord op
Haar vraag, weg van Haar belofte. Hij rende door het bos, takken en stammen
ontwijkend, langs het hutje, over de open plek en terug in de richting van Deemster.
Het kronkelpad leek zich te hebben
gerecht. Of waren het zijn angst, zijn opwinding, zijn onzekerheid die hem
afleidden? Na een half uur afwisselend rennen en stevig doorlopen begon hij tot
zichzelf te komen. Zijn adem werd kalmer en hij keek om zich heen. De zon stond
inmiddels zo laag dat de verwrongen stammen haar licht tegenhielden. Hij durfde
nu rustig te lopen. Langzaam kreeg het bos een minder vreemde sfeer en werd de
omgeving bekender. Maar hij voelde in zijn armen en benen en in zijn borst nog
de paniek waarin hij van het hutje, het meer en het meisje was weggerend. Hij wist zeker dat er iets wezenlijks was
veranderd door wat hij had gezien.
Eén gedachte was hetzelfde
gebleven: altijd als hij naar huis terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.
No comments:
Post a Comment