Monday, 20 May 2013

FLITS


Altijd als hij naar huis terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.

Hij verbaasde zich over deze gedachte, of beter gezegd: hij verbaasde zich over zichzelf. Het was een gedachte zoals andere mensen die hadden, mensen die niet alleen dit soort gedachten in hun hoofd hadden, maar ze ook hardop durfden uit te spreken. Het waren mensen die zich niet schaamden om te zeggen dat ze een stuk muziek mooi vonden, mensen die tot tranen geroerd werden door een schilderij, of mensen die kwaad werden om een boek. Hij vond het altijd lastig om met deze mensen te praten, om niet gegeneerd te raken door hun enthousiasme. Hij begreep hen niet. In zijn hoofd noemde hij deze mensen ‘war-mensen’. Dat betekende dat hij in de war raakte door hun geestdrift, maar zeker ook dat hij vond dat deze mensen zelf in de war waren. Zelf was hij niet zo. Muziek was muziek en verdreef de stilte zoals een schilderij een muur minder leeg maakte. En de enige boeken die hij las waren handleidingen voor zijn technische bouwdozen. Daar werd hij niet kwaad om, want als een bouwpakket  niet werkte las hij de instructies nog een keer om zijn eventuele fout op te sporen en dan begon hij opnieuw.

Het dorp waar hij woonde heette Deemster en lag aan drie kanten omsloten door een bos. De enige grotere weg eindigde in het dorp en leidde als nauwelijks meer dan een karrespoor door het bos naar de andere kant. Alleen tractors en voetgangers maakten er gebruik van. Alle autoverkeer in en uit het dorp ging langs de weg waarop hij nu reed. Hij zat op de oncomfortabele achterbank van het autootje van zijn ouders met een koptelefoon op zijn oren te luisteren naar muziek op zijn bandrecorder. De bandrecorder was één van de allereerste modellen die werkten op batterijen en daardoor draagbaar waren. Hij had het apparaatje voor zijn 14e verjaardag gekregen van zijn ouders. Met veel geduld had hij nummers van de top 40 van de radio overgenomen, zo zorgvuldig mogelijk de stem van de disc jockey vermijdend. Wat ergerde hij zich als zo iemand door een plaat heen praatte! Hij wilde de nummers van de eerste tot de laatste noot opnemen en beluisteren.

De rit heen en terug naar de woonplaats van zijn grootouders was lang en saai en moest minstens vier keer per jaar worden afgelegd. In de schemering zongen de Golden Earring toepasselijk ‘Back Home’ in zijn oren. Dit was de eerste keer dat hij bij terugkeer werd overvallen door die duistere gedachte.

Altijd als hij naar huis terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.

Dat was zeker waar in de winter. De schemering aan het einde van de middag maakte dat de bossen nog donkerder en dreigender leken dan tijdens zonniger jaargetijden. Gelukkig lag de donkerste tijd van het jaar achter hen.

Zijn vader reed het autootje achter het huis over het sintelpad. De winters van de afgelopen jaren knerpten onder de bandjes. Het donkere huis helde dreigend hun kant op tot zijn vader de achterdeur van het slot had gedraaid en het licht aan deed.

“Ik ben moe, ik ga meteen door naar bed”, zei hij en liep al de trap op. De volgende dag lonkte en in een streven zo snel mogelijk aan die verse vrijheid te beginnen wilde hij zo snel mogelijk zijn bed in om de slaap de tussenliggende tijd te laten uitwissen.

Het licht wekte hem. Zijn gordijnen waren niet volledig gesloten en lieten een straal zonlicht door. Wakker zijn en kunnen blijven liggen was een luxe die hij aan het ontdekken was. Hij had de kindertijd met z’n onbezorgde enthousiasme afgesloten, maar was nog niet een cynische puber. Hij genoot van het moment. Hij genoot van het idee dat buiten zijn kamer, aan de andere kant van zijn gordijnen de zon al volop scheen. Daar buiten was een wereld die op hem wachtte. En hij wachtte op het goede moment om er in te stappen.

Vorige week had hij een pad ontdekt in het bos, een pad dat hij tot dat moment niet kende. Het bos was uitgestrekt en hij en zijn vrienden bleven meestal op één of twee bekende plaatsen hangen om hun hutten, hun dammen te bouwen en – nee, het was natuurlijk verboden – hun  vuurtjes te stoken. Vorige week toen zijn twee beste vrienden eerder dan hij naar huis moesten had hij het pad ontdekt. Hij had wat door het bos geslenterd omdat hij nog geen zin had binnen te zitten. Zonder te weten waarheen hij op weg was, in gedachten verzonken, was hij gekomen op een plek die hij nauwelijks herkende. Het pad dat hij kruiste kende hij helemaal niet. Hij had het een klein stukje gevolgd. Het leek noordwaarts te voeren, want de zon was aan zijn linkerkant aan het zakken, maar meer wist hij niet. Vandaag zou hij meer te weten komen. Vandaag  zou hij dat pad volgen.

Zijn ontbijt at hij zittend aan de keukentafel. Hij maakte drie extra boterhammen, pakte een tupperwarebeker die hij vulde met melk en riep naar zijn moeder dat hij niet thuis zou zijn met het middageten. Hij propte zijn  proviand in de achterzakken van zijn spijkerbroek en stapte de achterdeur uit. Het was maar een korte afstand naar het bos, maar hij wilde een kleine omweg maken. Deze expeditie moest hij alleen  doen. Hij wilde niet het risico lopen dat één van zijn  vrienden hem langs hun huis zou zien gaan en dus moest hij hun straten mijden. Eénmaal in het bos aangekomen, wist hij al snel de plek te vinden die hem vorige week zo onbekend leek. En ook het pad richting het noorden –nu wist hij het zeker; de zon scheen op dit vroege tijdstip van schuin rechtsachter – was snel gevonden. Hij was bijna een beetje teleurgesteld: tot nu toe ging zijn ontdekkingsreis té makkelijk, met té weinig mysterie. Als het zo door ging, liep hij het pad af en kwam hij na een half uur in het volgende dorp.

Hij keek om  zich heen. Dit deel van het bos was anders dan het deel waar hij normaal kwam. Hier waren de paden en de stammen niet meer recht; deze bomen zouden nooit dienen als mast op een schip. De meeste van die bomen, die eigenlijk niet die naam mochten dragen, waren niet hoger dan hij zelf lang was. De stammen leken gemarteld, zo verwrongen waren ze. Het pad paste zich aan bij de begroeiing die het begrensde; het kronkelde zodat hij nauwelijks vooruit of achteruit kon kijken. En ook zijwaarts kon hij niet voorbij de eerste, misschien tweede rij bomen kijken. Het was alsof links en rechts naast het pad een donkere muur stond. Het pad zelf leek nergens heen te leiden. Hij besloot het te volgen. De richting leek niet uit te maken want door de kronkeling was het niet te voorspellen in welke richting het hem zou leiden. Hij had het gevoel dat het ook niet belangrijk was. De zon had al voldoende hoogte om over de korte boompjes heen te schijnen en hij liep soms in de zon, soms in het relatieve donker van de schaduw waar het pad hem voerde.

Toen hij nog veel jonger was hadden zijn ouders hem eens meegenomen naar een park waarvan hij de naam was vergeten. Zij hadden daar gepicknickt en zijn ouders waren een beetje jolig geworden van de witte wijn en de zon. Hij had hen alleen gelaten en was terecht gekomen bij wat eerst een dicht bosje leek, maar wat even later een doolhof bleek te zijn. Toen hij zich realiseerde dat er systeem zat in de paden door het ‘bosje’, was het te laat geweest en kon hij met geen mogelijkheid de weg terug vinden. Er zat niks anders op dan doorlopen en hopen dat hij iemand anders tegen kwam of toevallig de uitgang vond. In plaats van paniek voelde hij een kalmte over zich komen en hij genoot van het mooie weer, de stilte en het alleen zijn. Toen hij op een grote open plek kwam, waar in het midden een klein fonteintje stond, nam hij een paar slokken van het koele water en ging in het gras liggen. Nadat hij een droomloos half uur had geslapen stond hij op en liep zonder te aarzelen naar de uitgang. Zijn ouders hadden hem niet gemist want ze waren in slaap gevallen op de picknickdeken. De wijnfles was leeg.

Hetzelfde gevoel van kalmte ervoer hij nu terwijl hij het pad volgde langs de waanzinnige kronkels die het voor hem in petto had. Welk nut diende een pad als dit? Niemand zou dit pad volgen om van A naar B te komen, maar toch was het duidelijk een pad. Op de meeste plaatsen was het net iets meer dan een meter breed, maar soms versmalde het zich tot de helft daarvan. Een heel enkele keer leek het dood te lopen, maar als hij dan goed keek vond hij een doorgang en kon hij zijn weg vervolgen.  Nadat hij een uur het pad had gevolgd kwam hij bij zo’n versmalling waarbij het leek alsof hij tegen een muur van stammen en bladeren aan zou lopen. Hij wrong zich tussen twee armdikke takken door en keek om zich heen. Hij stond aan de rand van een open plek ter grootte van vier doorsnee huiskamers. De grond was redelijk vlak en begroeid met gras en tijm. Toen hij erover liep steeg de kruidengeur op en herinnerde hem eraan dat het al uren geleden was dat hij wat had gegeten. De plek was min of meer cirkelvormig en aan precies de andere kant van waar hij nu stond, bevond zich een klein hutje. Het puntdak was even hoog als de toppen van de bomen. Terwijl hij de open plek over stak hoorde hij het gekwetterd van een zwerm vogels. Hij keek in de richting van het geluid en zag dat ze opstegen uit het bos niet ver van de plek waar hij de cirkel was betreden. Hij liep door. De muren van het hutje waren gemaakt van palen. “Waar haal je hier palen die recht genoeg zijn?” vroeg hij zich af. Inmiddels was hij zo dichtbij dat hij kon zien dat er een ingang van hetzelfde hout was gemaakt. Hij besloot eerst om het hutje heen te lopen en zo vond hij aan de rechterzijkant een opening die je met enige fantasie een raam zou kunnen noemen. Hij keek erdoor naar binnen. Terwijl hij wachtte tot zijn ogen aan het donker in het kleine kamertje gewend waren had hij tijd om de vochtige, mossige lucht uit het huisje te proeven.  Het was een slaapvertrek van het eenvoudigste soort. Op de aangestampte aarden vloer stonden een keurig opgemaakt ledikant met een tafeltje naast het hoofdeinde en een kruk. Dat was al het meubilair. Op het tafeltje stond een klein vaasje met daarin een enkele roos. Hij dacht dat hij daaruit mocht afleiden dat het slaapvertrek aan een meisje of vrouw toebehoorde. Hij liep terug en ontdekte aan de linkerkant van het hutje een soortgelijke opening die hem een blik verschafte op een al even spaarzaam ingerichte kamer die diende als keukentje en eetkamer. Nog steeds geen teken van de bewoner. Bewoonster. De roos en het ontbreken van rommel bevestigden zijn eerste indruk dat hier een vrouw woonde. Maar waar was ze? Hij was nog niet aan de achterzijde van het woninkje geweest. Aan de achterkant was een deuropening. Vanaf die deur liep een pad – was dit waar zijn kronkelpad verder ging? – een pad liep het bos in. Hij volgde het. Het pad kronkelde iets minder en de begroeiing aan weerszijden leek iets minder dicht, de stammen iets rechter en gezonder alsof de nabijheid van de bewoonster een helende werking had en datgene wat de rest van het bos een ziekelijke aanblik gaf teniet deed. Tussen de stammen en bladeren door zag hij water. Hij kwam aan bij een vennetje, een meertje. Het water glinsterde in de zon en een enkele eend dreef op het water, af en toe de kop onder het oppervlak stekend op zoek naar iets eetbaars. Libellen en waterjuffers vlogen in onregelmatige, schokkerige banen boven het water. Aan zijn rechterkant was de oever niet begroeid. Daar zat, aan het water, de bewoonster van het hutje dat hij zojuist had gezien.

Meisjes hadden nog geen enkele rol van belang gespeeld in zijn leven. Ze waren er, net zoals er bomen waren in het bos of dieren in een dierentuin. Natuurlijk deed hij mee in de gesprekken van zijn klasgenoten over de meiden in de klas. Hun beginnende rondingen waren onderwerp van gesprek en een blik van één van hen in de richting van één van de jongens gaf aanleiding tot wilde speculaties wat zij allemaal zou kunnen en willen doen. Natuurlijk droeg hij zijn steentje bij aan die bespiegelingen, maar als hij eerlijk was wist hij eigenlijk niet waarover die gesprekken precies gingen. Hij wist wat mannen en vrouwen samen deden want hij had de plaatjes gezien die zijn klasgenoten soms meenamen naar school. Hij wist waarvoor het diende en hoe alles werkte, maar hij had al die lichamelijkheid en intense gevoelens nooit met zichzelf in verband gebracht. Het had allemaal niks met hem te maken. Hij deed mee met de gesprekken om zichzelf een houding te geven en erbij te horen.

Hij bleef staan achter de veilige beschutting van de stammen en bladeren en keek naar het meisje. Dat had hij dus goed geraden: het was een meisje.  Ze leek geconcentreerd bezig, gebogen over haar werk terwijl ze met haar rug naar hem toe zat. Hij zag haar gekromde rug, haar lange, bijna zwarte haar en de jurk die ze aanhad. Of ja, was het een jurk? Je zou het beter een gewaad kunnen noemen want het leek een primitieve, grof geweven stof en tamelijk vormloos. Door haar houding was de stof over haar rug gespannen en als hij had gewild, had hij haar wervels kunnen tellen. Meer op gevoel dan op uiterlijk schatte hij haar één, misschien twee jaar ouder dan hijzelf. Hij hield zich doodstil terwijl hij probeerde te zien wat ze aan het doen was. Ze zat van hem afgekeerd op haar knieën, zodat hij de zolen van haar blote voeten zag met de tenen half dubbel gevouwen. Die tenen vertederden hem; zo klein en zo in de verdrukking terwijl zij, de eigenaresse, er geen acht op sloeg. Zij was intensief met iets heel anders bezig. Een kleine vogel – was het een eendenkuiken? - was verstrikt geraakt in touw of in een net. Hij zag het niet precies. Het meisje probeerde het beestje te bevrijden terwijl het diertje in paniek fladderde en tegenstribbelde. Hij hoorde haar zacht tegen het eendje praten. Ze leek enig succes te hebben, want er kwam wat beweging: ze draaide zich half in zijn  richting en nu zag hij dat het eendje inderdaad in een net vast zat. Het meisje kon nu wat rechterop zitten en zij draaide zich nog wat meer in zijn richting. Hij hield zijn adem in. Hij wist dat Zij – de hoofdletter dacht hij er bij – dat Zij hem niet mocht zien. Hij keek naar Haar ernstige, aandachtige gezichtje dat hem nog meer ontroerde dan Haar tenen gevouwen onder Haar voeten. De rimpels van concentratie boven Haar neus deden hem denken aan een elfje met een serieuze missie. Eindelijk had Ze succes: met een brede glimlach van genoegen haalde Zij de laatste draadjes van het pootje van het diertje en zette het op de oever. Het beestje waggelde richting water en zwom zo snel als het kon weg van de plek waar het gevangen had gezeten. Het Meisje stond op en tilde haar gewaad tot boven de knieën toen Ze het water in liep. Hij kon zich niet verroeren terwijl Zij met een vage lach om Haar lippen door het water waadde. Ze schopte wat spetters en maakte een paar halve danspasjes in het water. Hij dacht dat hij Haar hoorde neuriën. Het gewaad nog steeds met beide handend op houdend, kwam Ze weer naar de oever, zijn kant op. Hij zag Haar knieën, de knieschijven nog rood van het erop zitten en de zachte huid van haar blote benen boven de knieën. Gelukkig keek Zij naar de grond, naar waar ze liep; er leek weinig gevaar voor ontdekking. Zij ging helemaal op in haar eigen gedachten. Ze ging zitten op een grote omgevallen boom. Ze had haar gewaad weer losgelaten zodat alleen Haar voeten er nog onderuit staken. Toen deed Ze iets onbegrijpelijks: Ze stak Haar arm uit, recht vooruit, terwijl Ze om zich heen keek naar de boomtoppen en tuitte onderwijl Haar lippen. Hij wist zeker dat hij Haar hoorde fluiten: korte, schelle tonen. Een lokroep. Ze hoefde niet lang te wachten. Een vogeltje kwam uit de top van een boom en zette zich zonder aarzelen op Haar uitgestoken hand. Het was een musje. Het was het allergewoonste vogeltje dat hij kende. Het beestje zat zonder angst op Haar vingers en leek Haar gefluit te beantwoorden. Het meisje hield op met fluiten en kort daarna maakte het musje ook geen geluid meer. Zij glimlachte naar het vogeltje. Hij stond aan de grond genageld toe te kijken toen Zij zich langzaam, terwijl Haar glimlach alleen nog maar stralender werd, in zijn richting draaide. Het vogeltje bleef al die tijd rustig zitten. Zij richtte haar blik in zijn richting. Zij keek hem recht in de ogen. Hij zag de donkerbruine irissen, de twinkeling, de vraag, de belofte in Haar ogen.

Hij stiet een geluidje uit en draaide zich weg. Weg van Haar, weg van het onbekende, weg van het antwoord op Haar vraag, weg van Haar belofte. Hij rende door het bos, takken en stammen ontwijkend, langs het hutje, over de open plek en terug in de richting van Deemster. Het kronkelpad leek zich te  hebben gerecht. Of waren het zijn angst, zijn opwinding, zijn onzekerheid die hem afleidden? Na een half uur afwisselend rennen en stevig doorlopen begon hij tot zichzelf te komen. Zijn adem werd kalmer en hij keek om zich heen. De zon stond inmiddels zo laag dat de verwrongen stammen haar licht tegenhielden. Hij durfde nu rustig te lopen. Langzaam kreeg het bos een minder vreemde sfeer en werd de omgeving bekender. Maar hij voelde in zijn armen en benen en in zijn borst nog de paniek waarin hij van het hutje, het meer en het meisje was weggerend.  Hij wist zeker dat er iets wezenlijks was veranderd door wat hij had gezien.

Eén gedachte was hetzelfde gebleven: altijd als hij naar huis terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.