Friday, 27 July 2012

Herinneringen aan een jongetje


Altijd vakantie en altijd zomer. De plek in mijn hoofd die is gereserveerd voor herinneringen aan mijn jeugd is zonnig en warm. Natuurlijk kan ik me ook hele koude winters herinneren, zoals de winter dat mijn broertje werd geboren. De sneeuw lag toen metershoog opgewaaid tegen de achterkant van het huis. Of de ijsvlakte van het ‘oude meer’ waar we heen gingen om te gaan schaatsen. Maar als een landschap, een geluid of een geur me aan die tijd doen denken is het eerste beeld dat zich aan me voordoet een zonovergoten korenveld met in de verte een torenspits. 

We speelden buiten. We waren wel eens binnen – televisie was nieuw, zwart-wit en het beeld wilde maar niet stilstaan – maar meestal waren we buiten van ontbijt aan de keukentafel tot bed. We voerden onze expedities uit naar de oude toren, het overblijfsel van de kerk na de brand van tien jaren daarvoor. De plaats van de afgebrande spits was ingenomen door gras en zelfs een boompje dat daar ongemakkelijk in het oog sprong als een diepzeeduiker op een berghelling. Het lege karkas van de toren nodigde uit om te worden beklommen en tot de dag dat een jongen die we niet kenden enkele meters van de stenen trap viel en de ruïne werd afgesloten deden we dat zonder onze ouders te vragen. We ontdekten het bos en de grote zandvlakte waar we munitie uit de tweede wereldoorlog vonden. Die oorlog was meer dan twintig jaar daarvoor  afgelopen maar nog steeds vonden we meestal ongevaarlijke koperen hulzen onder het witte stuifzand. De verhalen van vrienden die iemand kenden die had gehoord van wéér iemand anders die nog volledige mitrailleurkogels had gevonden zorgden voor plezierig spanning als we over die woestijnachtige vlakte struinden.
De Dommel met de kerk van Breugel
Het zwarte water van de Dommel had een grote aantrekkingskracht, maar overal waren de oevers te steil, de stroming te sterk en de vervuiling te weerzinwekkend om daaraan toe te geven. Gelukkig had het riviertje midden in het bos een afgesneden meander, een vroegere bedding waar geen stroming was, waar de oevers toelieten dat we er speelden in het witte zand en donkere modder en waar geen vervuiling was, maar stekelbaarsjes en eenden. We bouwden er vlotten en dammen die ons nooit brachten waarvoor ze waren bedoeld: de overkant van die ‘dooie arm’.  We maakten onze eigen wereld en speelden onze eigen verhalen.
Verhalen…daar leefden we van. Terwijl de generatie net boven ons leek te snappen wat er in Parijs gebeurde en een halve wereld bij ons vandaan in het mythische Amerika zwarte en blanke leiders werden neergeschoten door mannen met namen van cowboys of sultans beleefden wij ons eigen drama.
Rik, Robbie en ik vormden de ongemakkelijke kern van mijn grotere groep vrienden. Robbie woonde om de hoek, zó dichtbij dat we eens een kabel tussen onze huizen legden om een intercomverbinding te maken. Het was een wonder dat dat mocht, want Robbie’s ouders waren van het zwijgzame, afwijzende type. Alles wat wij in en om hun huis wilden doen, zou slecht kunnen zijn voor het gras of voor het parket. Robbie ging gebukt onder de afkeuring van zijn ouders, want hij voelde sterk de noodzaak om zich tevoren te verontschuldigen voor de mogelijkheid dat we niet bij hem thuis terecht konden. Al vroeg leerde hij omgaan met beperkingen en hij bezat zodoende een nuchtere realiteitszin.
Rik was een romanticus. Hij woonde met zijn ouders en zijn paar jaar oudere zus in het meest geheimzinnige deel van ons dorp. De huizen stonden er weliswaar in rijtjes, maar aan bospaden in plaats van aan straten en waren omringd door hoge bomen en een bosperceel. Rik’s huis was daardoor altijd donker. Het hielp ook niet dat zijn ouders een voorkeur hadden voor donkere kleuren: tapijten, kasten, parket: alles had dezelfde donkerbruine kleur. De tuin achter het huis liep als vanzelf over in het bos. In het deel waarvan je je kon afvragen of het tuin of bos was, had Rik’s vader lang voor ik hem leerde kennen een minihuisje gebouwd. Oorspronkelijk bedoeld voor Rik’s oudere zus, die er ondertussen letterlijk uitgegroeid was, bezat het nog een paar meisjesachtige kenmerken als een keukentje, kussentjes en gehaakte gordijntjes voor de raampjes. Klein als we waren, pasten we er nog net in, en we maakten het tot ons domein, ons hoofdkwartier. We konden hier onbespied onze plannen maken.  
Natuurlijk was het Rik die als eerste de verhalen uit het dorp te horen kwam. Het drama van een peuter die was verdronken in de Dommel, militairen die als oefening een Baileybrug over het riviertje aan het leggen waren: Rik wist het als eerste en wist ons te overtuigen op zoek te gaan, te gaan kijken of mee te doen. Ik zeg “ons”, maar vaak was Robbie er niet bij omdat hij niet mocht van zijn  ouders - hij had net nieuwe kleren aan – of omdat hij domweg Rik’s verhaal niet geloofde. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Rik inderdaad wel eens een verhaal verzon omdat hij zich verveelde of om te kijken tot hoever hij kon gaan met zijn fantasieën. De landelijk beroemde filmster die op het terras van het plaatselijke café zou zitten werd bijvoorbeeld door ons nooit aangetroffen. Soms verzon Rik dan een verklaring – vast al weer weg – maar soms gaf hij ook toe dat het een verzinsel was. Zijn excuus was dan dat “we toch plezier hadden gehad?”
“Er is een vliegtuig neergestort!” We hadden ons al een ochtend lang zitten vervelen en toen we na de lunch weer bij elkaar kwamen, riep Rik ons al van een afstand toe. Robbie was sceptisch: ”Dat zeg je alleen maar omdat we niks te doen hebben.” Ik geloofde het aanvankelijk ook niet: wat is de kans dat zo iets in ons dorp zou gebeuren. Maar Rik was heel vasthoudend: “Jawel, écht waar, hij is op een boerderij neergestort en de brokstukken liggen in het weiland. We gaan kijken!” Ik was al overtuigd en ook Robbie, waarschijnlijk onder het motto ‘er is vandaag toch niks beters te doen’ liet zich meetronen. Op dat moment hoorden we brandweerauto’s en zagen we in de verte de zwaailichten anders hadden we geen idee gehad waar we het mythische vliegtuig zouden moeten zoeken. “Is het een Starfighter?” Het toestel met de kenmerkende vorm en onheilspellende motorgeluid scheerde bijna dagelijks over het dorp. Maar zelfs Rik wist niet welk toestel het was.
Aangekomen bij de laatste huizen van het dorp waren we de brandweerauto’s al lang uit het oog verloren. “Zullen we terug gaan?”  vroeg ik. “Ik wil die brokstukken zien! Ze zeggen trouwens dat ook de piloot er tussen ligt.” Deze informatie had Rik nog niet eerder gegeven. “Ik bedoel om onze fietsen te gaan halen”, zei ik. Tien minuten later waren we op dezelfde plek, maar nu met fietsen.
We hadden maar een vaag idee in welke richting de brandweer was gereden. De zwaailichten waren niet meer te zien en hoe goed we ook luisterden, we hoorden geen sirene meer. “Als de piloot z’n schietstoel niet heeft gebruikt, istie dus dood”, zei Robbie. Rik en ik keken hem aan. De blik in Robbie’s ogen spoorde Rik aan om er nog een schepje bovenop te doen: “Als ie nog in z’n vliegtuig zat toen het neerkwam, liggen zijn armen en benen en zo ook tussen de brokstukken.”
Er zat niets anders op dan zigzaggend door het Brabantse landschap te fietsen in de hoop dat we ergens iets van rook of vuur of beroering zouden zien. We lieten de bossen links liggen en concentreerden ons op het boerenland, de korenvelden die toen nog niet waren vervangen door de velden vol manshoge maïs die je elk uitzicht benemen en de weilanden. Zover we konden kijken lag het landschap er vredig bij. De enige levende wezens de roodbonte koeien die herkauwend ons met bolle ogen aan staarden terwijl we voorbij reden.
Na een uur was er nog geen spoor van het vliegtuig en Robbie en ik werden ongeduldig. We begonnen te praten over teruggaan want de 20 cent die ik had brandde in mijn broekzak: die rijkdom moest worden uitgegeven aan ijsjes. De enige ijsjes die we kenden waren waterijsjes; de luxe van roomijs was ons onbekend en zelfs als we dat hadden gekend was het toch onbetaalbaar geweest. We kochten altijd dubbele waterijsjes; ijsjes met twee stokjes die je doormidden kon breken en zo kon  delen. Voor een dubbeltje had je een dubbele en als de ijsverkoper je vriendelijk gezind was, verkocht hij voor een stuiver een halve als je gezelschap of geld tekort kwam. De manier om die ijsjes te eten was de siroop er uit zuigen, zodat je een koele limonadesmaak in je mond kreeg. Het overgebleven ijs, brokkelig krokant geworden, hapte je daarna van het stokje.
Rik wilde natuurlijk niet van teruggaan weten. Hij haalde wat haastig ingepakte koek uit zijn zak en wist ons te overtuigen: “OK, we stoppen hier even en eten wat. Want als we het vliegtuig vinden zijn we nog niet thuis, natuurlijk.” Robbie stapte met bedenkelijke blik af. Als we niet op tijd thuis waren voor het avondeten was hij degene die de grootste problemen met z’n ouders kon verwachten. We zochten een plek in een korenveld. We moesten natuurlijk onze fietsen en ons zelf verstoppen, want de brandweer zou ons meteen terugsturen als ze wisten waar we naar op weg waren. Als we zaten vormde het koren een beschermende muur om ons heen. We waanden ons onzichtbaar. Het werd ons al snel duidelijk dat we dat niet waren. Over de weg die we zojuist hadden verlaten kwam een man aangelopen. We hoorden zijn zware voetstappen en toen hij dichterbij kwam ook zijn grove verwensingen. De enige van ons drieën die het plaatselijke dialect een beetje meester was, was Robbie. Rik en ik waren beiden import. Robbie fluisterde: “Weg! Weg hier!” Rik en ik moeten hem dom hebben aangekeken maar de angst op zijn gezicht spoorde ons toch ook aan tot opspringen en de fiets te pakken. Toen hij ons zag, startte de boer een sprintje in onze richting. Ondanks dat hij bijna onverstaanbaar plat praatte, schreeuwde, werd het Rik en  mij nu ook duidelijk dat hij het ons heel kwalijk nam dat we zijn koren hadden geplet met onze fietsen en achterwerken. Het duurde te lang voordat we de snelheid van onze fietsen konden gebruiken om aan de boer te ontsnappen, maar gelukkig was het Rik, die hij kon vastgrijpen. Rik, met zijn blonde haar en onschuldig engelengezichtje, kon de man overtuigen dat dit écht de eerste keer was dat we zoiets deden. We begrepen dat de man al dagen op de loer had gelegen om te zien welke ondeugden van zijn korenveld een speeldoolhof maakten. “Wij niet, meneer, kijk maar….we zijn alleen op dit plekje geweest.” Rik was heel overtuigend. Uit de onverstaanbare donderpreek maakten we op dat de boer weliswaar overtuigd was, maar ons nog even mee wilde geven dat hem dit wel honderd gulden of meer kostte. Rik was zó overtuigend, dat de man hem uiteindelijk een aai over zijn bol gaf. Dat maakte dat Rik hem durfde vragen: ”Weet u waar het vliegtuig is neergestort?” Voor een vertaling van het antwoord keken we naar Robbie: “Ik geloof dat ie zegt een half uur in de richting van Boekel.”
Geen van ons had enig idee waar Boekel lag, maar we fietsten in de richting die de man had aangewezen. Langzaam werd het ons duidelijk dat we in de goed richting gingen, want het werd allengs drukker. Mensen, opgewonden pratend, liepen, fietsten dezelfde kant op als wij.
Zomaar in het land, een weiland zonder koeien, was een enorme voor getrokken. Eén groot brokstuk – de motor – lag als een nonchalant weggeworpen stuk speelgoed aan het eind van het omgeploegde stuk grond. Verbaasd keek ik in het rond: waar was de rest? Een groot stuk van het weiland was afgezet en binnen de afzetting waren mannen aan het zoeken. Althans, dat maakte ik op uit hun houding. Langzaam liepen ze naast elkaar, onderwijl ingespannen starend naar de grond. Nu ik goed keek zag ik her en der wel kleinere brokstukken. Blijkbaar zochten ze die niet, want zelfs als ze er bijna bovenop stonden, liepen ze door. Af en toe bukte één van de mannen zich, om iets te bekijken en vervolgens in een plastic zak te doen. Minstens tien van deze mannen, met witte handschoenen en ondoorzichtige plastic zak liepen zo rond.
Op het moment dat ik me omdraaide naar Rik en Robbie, zag ik het antwoord op mijn vraag op hun gezichten. We beseften ons tegelijkertijd wat de mannen verzamelden. Zonder iets te zeggen pakten we onze fietsen en reden zwijgend naar huis.
Het duurde een paar maanden voordat Rik ons verraste met een nieuw verhaal.