Altijd vakantie en altijd zomer. De plek in mijn hoofd die is gereserveerd voor herinneringen aan mijn jeugd is zonnig en warm. Natuurlijk kan ik me ook hele koude winters herinneren, zoals de winter dat mijn broertje werd geboren. De sneeuw lag toen metershoog opgewaaid tegen de achterkant van het huis. Of de ijsvlakte van het ‘oude meer’ waar we heen gingen om te gaan schaatsen. Maar als een landschap, een geluid of een geur me aan die tijd doen denken is het eerste beeld dat zich aan me voordoet een zonovergoten korenveld met in de verte een torenspits.
We speelden buiten. We
waren wel eens binnen – televisie was nieuw, zwart-wit en het beeld wilde maar
niet stilstaan – maar meestal waren we buiten van ontbijt aan de keukentafel
tot bed. We voerden onze expedities uit naar de oude toren, het overblijfsel
van de kerk na de brand van tien jaren daarvoor. De plaats van de afgebrande
spits was ingenomen door gras en zelfs een boompje dat daar ongemakkelijk in
het oog sprong als een diepzeeduiker op een berghelling. Het
lege karkas van de toren nodigde uit om te worden beklommen en tot de dag dat
een jongen die we niet kenden enkele meters van de stenen trap viel en de ruïne
werd afgesloten deden we dat zonder onze ouders te vragen. We ontdekten het bos
en de grote zandvlakte waar we munitie uit de tweede wereldoorlog vonden. Die
oorlog was meer dan twintig jaar daarvoor afgelopen maar nog steeds vonden we meestal
ongevaarlijke koperen hulzen onder het witte stuifzand. De verhalen van
vrienden die iemand kenden die had gehoord van wéér iemand anders die nog
volledige mitrailleurkogels had gevonden zorgden voor plezierig spanning als we
over die woestijnachtige vlakte struinden.
![]() |
| De Dommel met de kerk van Breugel |
Verhalen…daar leefden we
van. Terwijl de generatie net boven ons leek te snappen wat er in Parijs
gebeurde en een halve wereld bij ons vandaan in het mythische Amerika zwarte en
blanke leiders werden neergeschoten door mannen met namen van cowboys of
sultans beleefden wij ons eigen drama.
Rik, Robbie en ik vormden
de ongemakkelijke kern van mijn grotere groep vrienden. Robbie woonde om de
hoek, zó dichtbij dat we eens een kabel tussen onze huizen legden om een
intercomverbinding te maken. Het was een wonder dat dat mocht, want Robbie’s
ouders waren van het zwijgzame, afwijzende type. Alles wat wij in en om hun
huis wilden doen, zou slecht kunnen zijn voor het gras of voor het parket. Robbie
ging gebukt onder de afkeuring van zijn ouders, want hij voelde sterk de
noodzaak om zich tevoren te verontschuldigen voor de mogelijkheid dat we niet
bij hem thuis terecht konden. Al vroeg leerde hij omgaan met beperkingen en hij
bezat zodoende een nuchtere realiteitszin.
Rik was een romanticus.
Hij woonde met zijn ouders en zijn paar jaar oudere zus in het meest
geheimzinnige deel van ons dorp. De huizen stonden er weliswaar in rijtjes, maar
aan bospaden in plaats van aan straten en waren omringd door hoge bomen en een
bosperceel. Rik’s huis was daardoor altijd donker. Het hielp ook niet dat zijn
ouders een voorkeur hadden voor donkere kleuren: tapijten, kasten, parket:
alles had dezelfde donkerbruine kleur. De tuin achter het huis liep als vanzelf
over in het bos. In het deel waarvan je je kon afvragen of het tuin of bos was,
had Rik’s vader lang voor ik hem leerde kennen een minihuisje gebouwd. Oorspronkelijk
bedoeld voor Rik’s oudere zus, die er ondertussen letterlijk uitgegroeid was,
bezat het nog een paar meisjesachtige kenmerken als een keukentje, kussentjes
en gehaakte gordijntjes voor de raampjes. Klein als we waren, pasten we er nog
net in, en we maakten het tot ons domein, ons hoofdkwartier. We konden hier
onbespied onze plannen maken.
Natuurlijk was het Rik
die als eerste de verhalen uit het dorp te horen kwam. Het drama van een peuter
die was verdronken in de Dommel, militairen die als oefening een Baileybrug over
het riviertje aan het leggen waren: Rik wist het als eerste en wist ons te
overtuigen op zoek te gaan, te gaan kijken of mee te doen. Ik zeg “ons”, maar
vaak was Robbie er niet bij omdat hij niet mocht van zijn ouders - hij had net nieuwe kleren aan – of omdat
hij domweg Rik’s verhaal niet geloofde. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat
Rik inderdaad wel eens een verhaal verzon omdat hij zich verveelde of om te
kijken tot hoever hij kon gaan met zijn fantasieën. De landelijk beroemde
filmster die op het terras van het plaatselijke café zou zitten werd bijvoorbeeld
door ons nooit aangetroffen. Soms verzon Rik dan een verklaring – vast al weer
weg – maar soms gaf hij ook toe dat het een verzinsel was. Zijn excuus was dan
dat “we toch plezier hadden gehad?”
“Er is een vliegtuig
neergestort!” We hadden ons al een ochtend lang zitten vervelen en toen we na
de lunch weer bij elkaar kwamen, riep Rik ons al van een afstand toe. Robbie
was sceptisch: ”Dat zeg je alleen maar omdat we niks te doen hebben.” Ik
geloofde het aanvankelijk ook niet: wat is de kans dat zo iets in ons dorp zou
gebeuren. Maar Rik was heel vasthoudend: “Jawel, écht waar, hij is op een
boerderij neergestort en de brokstukken liggen in het weiland. We gaan kijken!”
Ik was al overtuigd en ook Robbie, waarschijnlijk onder het motto ‘er is
vandaag toch niks beters te doen’ liet zich meetronen. Op dat moment hoorden we
brandweerauto’s en zagen we in de verte de zwaailichten anders hadden we geen
idee gehad waar we het mythische vliegtuig zouden moeten zoeken. “Is het een Starfighter?”
Het toestel met de kenmerkende vorm en onheilspellende motorgeluid scheerde
bijna dagelijks over het dorp. Maar zelfs Rik wist niet welk toestel het was.
Aangekomen bij de laatste
huizen van het dorp waren we de brandweerauto’s al lang uit het oog verloren. “Zullen
we terug gaan?” vroeg ik. “Ik wil die
brokstukken zien! Ze zeggen trouwens dat ook de piloot er tussen ligt.” Deze
informatie had Rik nog niet eerder gegeven. “Ik bedoel om onze fietsen te gaan
halen”, zei ik. Tien minuten later waren we op dezelfde plek, maar nu met
fietsen.
We hadden maar een vaag
idee in welke richting de brandweer was gereden. De zwaailichten waren niet
meer te zien en hoe goed we ook luisterden, we hoorden geen sirene meer. “Als
de piloot z’n schietstoel niet heeft gebruikt, istie dus dood”, zei Robbie. Rik
en ik keken hem aan. De blik in Robbie’s ogen spoorde Rik aan om er nog een
schepje bovenop te doen: “Als ie nog in z’n vliegtuig zat toen het neerkwam,
liggen zijn armen en benen en zo ook tussen de brokstukken.”
Er zat niets anders op
dan zigzaggend door het Brabantse landschap te fietsen in de hoop dat we ergens
iets van rook of vuur of beroering zouden zien. We lieten de bossen links
liggen en concentreerden ons op het boerenland, de korenvelden die toen nog
niet waren vervangen door de velden vol manshoge maïs die je elk uitzicht
benemen en de weilanden. Zover we konden kijken lag het landschap er vredig
bij. De enige levende wezens de roodbonte koeien die herkauwend ons met bolle
ogen aan staarden terwijl we voorbij reden.
Na een uur was er nog
geen spoor van het vliegtuig en Robbie en ik werden ongeduldig. We begonnen te
praten over teruggaan want de 20 cent die ik had brandde in mijn broekzak: die
rijkdom moest worden uitgegeven aan ijsjes. De enige ijsjes die we kenden waren
waterijsjes; de luxe van roomijs was ons onbekend en zelfs als we dat hadden gekend
was het toch onbetaalbaar geweest. We kochten altijd dubbele waterijsjes;
ijsjes met twee stokjes die je doormidden kon breken en zo kon delen. Voor een dubbeltje had je een dubbele
en als de ijsverkoper je vriendelijk gezind was, verkocht hij voor een stuiver
een halve als je gezelschap of geld tekort kwam. De manier om die ijsjes te
eten was de siroop er uit zuigen, zodat je een koele limonadesmaak in je mond
kreeg. Het overgebleven ijs, brokkelig krokant geworden, hapte je daarna van
het stokje.
Rik wilde natuurlijk niet
van teruggaan weten. Hij haalde wat haastig ingepakte koek uit zijn zak en wist
ons te overtuigen: “OK, we stoppen hier even en eten wat. Want als we het
vliegtuig vinden zijn we nog niet thuis, natuurlijk.” Robbie stapte met
bedenkelijke blik af. Als we niet op tijd thuis waren voor het avondeten was
hij degene die de grootste problemen met z’n ouders kon verwachten. We zochten
een plek in een korenveld. We moesten natuurlijk onze fietsen en ons zelf verstoppen,
want de brandweer zou ons meteen terugsturen als ze wisten waar we naar op weg
waren. Als we zaten vormde het koren een beschermende muur om ons heen. We
waanden ons onzichtbaar. Het werd ons al snel duidelijk dat we dat niet waren. Over
de weg die we zojuist hadden verlaten kwam een man aangelopen. We hoorden zijn
zware voetstappen en toen hij dichterbij kwam ook zijn grove verwensingen. De
enige van ons drieën die het plaatselijke dialect een beetje meester was, was
Robbie. Rik en ik waren beiden import. Robbie fluisterde: “Weg! Weg hier!” Rik
en ik moeten hem dom hebben aangekeken maar de angst op zijn gezicht spoorde
ons toch ook aan tot opspringen en de fiets te pakken. Toen hij ons zag,
startte de boer een sprintje in onze richting. Ondanks dat hij bijna
onverstaanbaar plat praatte, schreeuwde, werd het Rik en mij nu ook duidelijk dat hij het ons heel
kwalijk nam dat we zijn koren hadden geplet met onze fietsen en achterwerken. Het
duurde te lang voordat we de snelheid van onze fietsen konden gebruiken om aan
de boer te ontsnappen, maar gelukkig was het Rik, die hij kon vastgrijpen. Rik,
met zijn blonde haar en onschuldig engelengezichtje, kon de man overtuigen dat
dit écht de eerste keer was dat we zoiets deden. We begrepen dat de man al
dagen op de loer had gelegen om te zien welke ondeugden van zijn korenveld een speeldoolhof
maakten. “Wij niet, meneer, kijk maar….we zijn alleen op dit plekje geweest.”
Rik was heel overtuigend. Uit de onverstaanbare donderpreek maakten we op dat
de boer weliswaar overtuigd was, maar ons nog even mee wilde geven dat hem dit
wel honderd gulden of meer kostte. Rik was zó overtuigend, dat de man hem uiteindelijk
een aai over zijn bol gaf. Dat maakte dat Rik hem durfde vragen: ”Weet u waar
het vliegtuig is neergestort?” Voor een vertaling van het antwoord keken we
naar Robbie: “Ik geloof dat ie zegt een half uur in de richting van Boekel.”
Geen van ons had enig
idee waar Boekel lag, maar we fietsten in de richting die de man had
aangewezen. Langzaam werd het ons duidelijk dat we in de goed richting gingen,
want het werd allengs drukker. Mensen, opgewonden pratend, liepen, fietsten
dezelfde kant op als wij.
Zomaar in het land, een
weiland zonder koeien, was een enorme voor getrokken. Eén groot brokstuk – de motor
– lag als een nonchalant weggeworpen stuk speelgoed aan het eind van het
omgeploegde stuk grond. Verbaasd keek ik in het rond: waar was de rest? Een
groot stuk van het weiland was afgezet en binnen de afzetting waren mannen aan
het zoeken. Althans, dat maakte ik op uit hun houding. Langzaam liepen ze naast
elkaar, onderwijl ingespannen starend naar de grond. Nu ik goed keek zag ik her
en der wel kleinere brokstukken. Blijkbaar zochten ze die niet, want zelfs als
ze er bijna bovenop stonden, liepen ze door. Af en toe bukte één van de mannen
zich, om iets te bekijken en vervolgens in een plastic zak te doen. Minstens
tien van deze mannen, met witte handschoenen en ondoorzichtige plastic zak
liepen zo rond.
Op het moment dat ik me
omdraaide naar Rik en Robbie, zag ik het antwoord op mijn vraag op hun
gezichten. We beseften ons tegelijkertijd wat de mannen verzamelden. Zonder
iets te zeggen pakten we onze fietsen en reden zwijgend naar huis.
Het duurde een paar maanden
voordat Rik ons verraste met een nieuw verhaal.
