Saturday, 27 September 2014

Godsdienstoorlog

I

Hij kuste haar. Hij boog zich over haar heen en kuste haar. Ze smaakte naar zon en voorjaar.

Hier, op de brug over het riviertje, hadden ze elkaar ontmoet. Als watermassa stelde het stroompje niet veel voor en ook het bruggetje was niet meer dan een oversteekplaats voor de lokale bewoners die te voet of met de fiets de overkant wilden bereiken. In de voorbije weken hadden ze elkaar hier steeds ontmoet. Eerst was dat afgesproken, maar later kwam er een vanzelfsprekende regelmaat in hun ontmoetingen. Het was een voor de hand liggende plaats, want de brug bevond zich bijna halverwege hun huizen. Hij deelde een huis met drie andere studenten in Deemster, zij had een appartementje in het naburige dorp.

Voordat hij haar nogmaals kuste, keek zij hem lachend aan en zei: “maar ik moet zó gaan hoor!”

Weken, maanden hadden ze om elkaar heen gedraaid. Hij wist niet of alleen hij ervoor had gezorgd dat ze elkaar steeds tegen kwamen, maar hij vermoedde dat ook zij de plekken had opgezocht waarvan ze wist dat hij er zou zijn. Zij ging op zaterdagavond uiteraard dansen. Het dorp waar ze woonde had sinds kort een echte disco en ‘Ring My Bell’ was de hit van de dag. Hij bewoog zich houterig, zich nauwelijks een houding gevend, over de dansvloer. Na een paar glazen bier ging het allemaal wat makkelijker. Natuurlijk zou hij bij de lezing van zijn favoriete schrijver zijn, vlakbij in de stad. Was het toeval dat zij buiten de zaal met haar broer stond te praten vlak voor aanvang van de lezing? Zij ging mee naar binnen en luisterde aandachtig, of deed alsof, naar de uiteenzetting van ’t Hart over zijn Vlucht Regenwulpen.

Een laatste, dit keer vluchtige, zoen. “Morgen…”

Het zingt in hem als hij naar huis loopt. Brug af, bos door, deur open. Hij wil zijn huisgenoten niet tegen komen. Hij wil het gevoel op zijn lippen niet bederven door te moeten praten. Hij wil de beelden op zijn netvlies niet kwijt, de klank van haar stem in  zijn  oren niet verliezen. Ongeschonden bereikt hij zijn kamer. Hij ploft in zijn stoel en blijft bewegingsloos. Zo zit hij een half uur lang: ogen gesloten om zijn herinnering aan de momenten op de brug beter voor de geest te houden, maar dan weer open om zich te vergewissen van de werkelijkheid om hem heen.

Een jaar geleden was hij verhuisd naar deze kleine provinciestad. Vreemdeling in een vreemd land. Hij had de strenge, stijve gemeenschap aan zee verlaten om zich hier op de zandgronden te vestigen. Maar hoe kun je wortelen in los zand? Alles was hier los en nergens leken regels voor. De moraal scheen hem ook elastisch toe, alles was toegestaan als je het kon verdoezelen of rechtvaardigen. Woorden waren belangrijker dan daden. Nu, een jaar later, was hij nog steeds op zoek naar vaste grond onder zijn voeten.

De weken na die eerste kus zijn wonderlijk intens. Alles is nieuw, alles is voor het eerst. Alles is vreemd. Zij houdt van weggaan en uitgaan terwijl hij het liefst thuis is. Zij gaat naar feestjes waarnaar ze hem slechts met de grootste moeite mee krijgt. Hij houdt van boeken en lezen, zij van films in de  bioscoop. Zijn lijflied is Sound of Silence; het hare Oh Happy Days. Áls hij eens uitgaat, dan naar een kroeg om met vrienden bier te drinken terwijl zij naar de disco wil waar ze cola of hoogstens een pisang ambon drinkt.


II

Wie van hen op het idee kwam, weet hij niet meer. Opeens was het duidelijk: omdat ze zo anders waren moesten ze samen een lang weekeinde weg: een paar dagen – en nachten! – samen zijn zou helpen om alles wat verschillend was beter te begrijpen. Het zou de kust worden. Zijn plek, zijn geboortegrond. Het leek hem niet meer dan logisch dat ze nu zíjn grond onder de voeten zouden hebben. Hij belde een willekeurig hotelletje in een plaatsje aan zee en boekte een kamer voor het weekeinde.

Op vrijdagavond zouden ze laat aankomen. Ze konden vanwege haar baantje pas laat vertrekken en de trein deed er tweeëneenhalf uur over. Ella werkte in een boekwinkel vlakbij het centrum van Deemster, in een steegje waar niet veel mensen door kwamen. Alleen mensen die het boekwinkeltje kenden, hadden reden om het straatje te bezoeken. Het winkeltje was eigendom van ene Louis Houtzager, een vage vriend van haar ouders. Het was zelfs Ella zelf niet duidelijk hoe zo’n oude man vriend van haar ouders kon zijn; hij was minstens 80 jaar oud en had, naast heel dun vlassig haar, ingevallen wangen ook een te ruim zittend kunstgebit. Toen Ella nog studeerde en steeds geld tekort kwam, had Louis haar aangeboden om in zijn zaak te komen werken. Hij zei dat hij zelf te oud werd en dat een boekwinkel hele dagen open moest zijn, want mensen hebben op elk moment van de dag recht om een boek te kopen. Het baantje, dat toen nog parttime was, was een godsgeschenk geweest. Ze kon het zich daardoor veroorloven om te blijven wonen in het appartementje dat niet lang daarvoor was vrijgekomen en dat haar vrijheid en zelfstandigheid bood.

Ze namen de trein in de nabijgelegen grotere stad, aangezien Deemster geen station had. De sneltrein bracht hen in anderhalf uur naar hun overstapplek, waar ze voor het laatste deel van de reis een boemeltreintje richting de kust zouden nemen. Dat laatste uur was een aaneenschakeling van steeds onbeduidender wordende stationnetjes en een voortdurende herhaling van afremmen en weer vaart maken. Bij het instappen in dit stoptreintje hadden ze de zespersoons coupé voor zichzelf. De donkergroene kunststoffen bekleding was glimmend gezeten door hun voorgangers. Het rook er vaag naar de mierzoete bellenblaaskauwgum die hij tot hij naar het lyceum ging zo vaak kauwde, meer om de plaatjes van wielrenners of voetbalspelers dan om de smaak van het zwaar gesuikerde plakje gom. Ze gingen tegenover elkaar zitten en Ella haalde uit haar tas twee delen van Bloemen op Zolder van V.C. Andrews, die zij zich had voorgenomen te lezen dit weekeinde. Hij pakte één van de twee boeken aan en begon enigszins verveeld te bladeren toen de deur van hun coupé openschoof. Denkend dat het de conducteur zou zijn tastte hij zonder te kijken in zijn tas naar zijn kaartje. Toen daar niet naar werd gevraagd keek hij op en zag dat een man en vrouw van ongeveer dertig jaar het compartiment binnenkwamen. Ze waren stemmig, zelfs plechtig gekleed en gingen zonder te spreken net als Ella en hij tegenover elkaar zitten. Omdat de vrouw naast hem zat kon hij de man goed opnemen. Hij had een serieuze blik die hij op een onnatuurlijke manier alleen op de vrouw tegenover hem gericht hield. De man pakte de handen van de vrouw tussen de zijne en zo zaten de beide medereizigers een tijdlang tegenover elkaar. Het viel hem op dat de vrouw een rok aan had van een lengte die hij sinds zijn allerjongste jaren niet meer had gezien. Zij hield haar hoofd naar beneden gericht. Nadat de boemel weer een keer op een onbeduidend stationnetje was gestopt,  keek de vrouw op en zei: “Het was een mooie dienst.”

Omdat de man niet reageerde, probeerde zij het nogmaals: “Er waren veel mensen. En kinderen. Er waren veel kinderen.”
Geen antwoord.
“Dat kwam natuurlijk omdat zij zelf ook nog maar een kind was. Het is zó’n zonde als een kind gaat, vind je ook niet?”

De  man bleef strak naar zijn handen kijken, waarin hij nog steeds die van de vrouw vasthield. Eindelijk gaf hij antwoord: “Ook kinderen neemt Hij tot zich, wanneer hun tijd is gekomen.”
Het klonk als een verwijt aan zijn metgezellin, die het hoofd weer boog.
“Noem het zonde als een kind doodgaat en je trekt de bedoeling van de Heer in twijfel!” De vrouw kromp nog verder in elkaar en mompelde een verontschuldiging. Het treintje kwam weer eens tot stilstand bij een stationnetje. Blijkbaar was dit waar de man en de vrouw eruit moesten, want ze stonden op en zonder ook maar in de richting van Ella en hem te kijken verlieten ze de coupé. Even later zagen zij hen het kleine stationsgebouwtje binnengaan.

“Jezus!”, zuchtte Ella, ”vrolijk is ook anders.” Vergeefs zocht hij naar iets om te zeggen dat hun beider bedrukte stemming wat zou verlichten. Na haar verzuchting was Ella ook stil gebleven. Noodgedwongen stilzwijgend zaten ze tot hun overstappunt tegenover elkaar. De stilte voelde ongemakkelijk aan. Uit ervaring wist hij dat hoe langer geen van hen beiden iets zei, hoe moeilijker het werd. Minuten lang voelde hij de knoop in zijn maag zich strakker trekken. Uitstappen bracht opluchting.

Het was donker en stil op hun eindstation. De bushalte tegenover de uitgang van het station was verlaten. Bij het licht van de straatlantaarn was net te lezen dat de laatste bus richting
’s Heerengorze nog twintig minuten op zich zou laten wachten. Om de stilte te doorbreken - hij had niet echt zin in automatenkoffie - stelde hij voor om twee bekertjes te halen in het nu bijna volledig duistere stationsgebouwtje. Toen hij terugkwam met twee kartonnen bekertjes die hij bijna niet kon vasthouden, zo heet waren ze,  zag hij met een gevoel van  opluchting dat Ella geïnteresseerd stond te kijken naar een poster die bevestigd was tegen het hek dat de bushalte scheidde van de erachter gelegen Stationsstraat.

“Jorn, kijk! Er is een voorstelling in dat dorp!” De plaatsnamen van de kuststreek waren zo vreemd voor Ella, dat ze moeite had ze te onthouden en zelfs ze uit te spreken. Maar wat ze zei, klopte. Hij stak haar snel één van de twee bekertjes koffie toe en wapperde zijn oververhitte vingers. De poster was bijna helemaal zwart. In het halfduister waren de donkerrode, bijna paarse letters nauwelijks te lezen. Wat hij kon zien van de afbeelding was een verontrustende tekening van een oosters uitziende man met priemende ogen. Een waarzegger? Een handoplegger? Hij keek beter en zag dat een hypnotiseur het dorp zou aandoen. Voor de volgende avond werd een ‘Spectaculaire show’ met ‘ondoorgrondelijke mysteriën’ aangekondigd. Achter de afgebeelde man, die klaarblijkelijk de hypnotiseur moest voorstellen, kon hij nu nog andere gestalten ontwaren. Er waren lachende, maar ook heel droevig uitziende mensen, een man met iets op zijn hoofd dat er uitzag als een ouderwetse onderbroek en een vrouw die haar hoofd achterover hield alsof ze een jankende wolf nadeed. Het geheel maakte op hem een griezelige indruk. De ogen van de hypnotiseur prikten als naalden uit de poster en de wolf-vrouw leek net iets te lange hoektanden te hebben. Zelfs de lachende mensen leken zó getekend dat het was alsof ze lachten om het verdriet of de pijn van anderen.
“Ik weet niet…vind jij de poster er ook zo griezelig uitzien?”
“Misschien een beetje. Maar wat geeft het?”
Ella zag de lol wel in van een avondje hypnose spektakel, al was het alleen maar om te lachen, samen plezier te hebben om mensen die ongetwijfeld deden alsof ze onder invloed stonden van Mister Magno, zoals hij nu zag dat de hypnotiseur heette. Hij was Mister Magno in elk geval dankbaar dat hij de bedrukte stemming had verjaagd. Ella leek het stel in de trein te zijn vergeten toen de bus arriveerde.

Ze kochten een kaartje bij de chauffeur, die hen zwijgzaam en enigszins achterdochtig aankeek. De bus was leeg op een gestalte na, die onderuitgezakt op de brede achterste bank hing. Zijn houding deed vermoeden dat het een opgeschoten puber was, die op de terugweg was naar zijn woonplaats na in het stadje wat te hebben gedronken. Ella koos een bank twee rijen achter de bestuurder. Net als de trein had de bus een geur die oud aanvoelde. Was dit de geur die je kreeg als je maar voldoende luchtjes en geuren van honderden verschillende mensen mengde? Vroeg hij zich af. De bus zou nog een half uur doen over de rit naar ’s Heerengorze. Langzaam trok de bus op en begon aan de tocht. Toen het stationnetje eenmaal achter hen lag, was het buiten zo donker, dat zelfs het weinige, vale licht in de bus voldoende was om de ruit tot een spiegel te maken. Hij keek voorbij Ella naar hun weerspiegeling. De kromming van de ruit maakte dat hun spiegelbeelden korte, stompe hoofdjes hadden die veel verder van elkaar verwijderd waren dan in werkelijk het geval was. Zelfs toen Ella haar hoofd op zijn schouder legde, leek het door zijn donkergekleurde jas alsof haar hoofd schuins in het luchtledige naast het zijne zweefde.


De bushalte in hun plaats van bestemming lag een paar straten van hun hotelletje. Om de zwijgzame chauffeur te mijden, stapten ze uit door de openzwaaiende deuren halverwege de bus. Hij keek omhoog, naar de hemel, en zag de sterren daar staan, helderder dan hij ze boven de losse zandgronden van zijn huidige woonplaats ooit had zien schitteren. Hij snoof luidruchtig.
“Ruik je de zee?”
“Ik ruik zout, zeewier en vis. Lekker……zullen we morgen lekker vis eten?”
Straatlantaarns waren hier ver uit elkaar geplaatst, zodat de wandeling van de bushalte naar het hotelletje een langzaam ritme had van donker en licht. De deur van het hotel was niet alleen dicht, maar zat ook op slot. Er zat niets anders op dan aan te bellen. In het stille hotel, in de stille straat, klonk de ouderwetse bel.
Luid genoeg om de doden te wekken, schoot hem te binnen. In het hotel sprongen lichten aan, deuren werden geopend en een vrouw van een jaar of veertig stond voor hun neus.

“Hoeienaovend. Julder èh hebeld?”
Ella keek hem vragend aan. Hij keek terug en zag dat dat niet slim was. Ze stond op het punt een giechelaanval te krijgen. Hij bevestigde dat zij inderdaad telefonisch hadden gereserveerd. Toen hij ook bevestigde dat zij de heer en mevrouw van der Stappen waren voelde hij dat hij kleurde toen de vrouw hem met een ironisch lachje aankeek. Ze mochten hier dan principes hebben, als er in het laagseizoen een paar centen te verdienen waren, werd er een oogje toegeknepen, besefte hij.
“Veel gasten?” vroeg hij onschuldig. Uit het antwoord kon hij opmaken dat behalve Ella en hij nog een stel te gast was en een man alleen. Met een bijna onzichtbaar lachje vertelde de vrouw dat de kamers naast die van hun leeg waren. Hij knikte en met zijn rugzak over één schouder ging hij Ella voor naar de hen aangewezen kamer. Hij had de deur nauwelijks achter zich gesloten of Ella liet zich proestend op het tweepersoonsbed vallen.
“Jij verstáát dat gewoon! Wat een boerentaaltje! Ik kan er geen woord van volgen!”



III

Zoals altijd wanneer hij in een vreemd bed slaapt, is hij vroeg wakker. Alsof zijn lichaam ook in de slaap, in het onderbewuste, registreert dat de normale gang van zaken is verstoord en het alerter moet zijn dan anders. Hij is dus ook meteen klaarwakker; het heeft geen zin te proberen weer de slaap te vatten. Naast hem slaapt Ella nog diep. Voor het eerst wordt hij wakker naast zijn geliefde, denkt hij en ondanks dat niemand deze gedachte zou kunnen hebben gehoord, grijnst hij om dit vormelijke woord. Hij kijkt naar haar en zijn hart gloeit: bestaat er iets onschuldigers dan zijn slapende vriendin?  Natuurlijk hebben ze gisterenavond niets gedaan dat ze al niet eerder hebben gedaan, maar dit moment, dit wakker worden is nieuw. Het lijkt wat ze hebben te bestendigen en hoewel zijn gedachten terugschrikken van het woord ‘definitief’, blijft dat woord in zijn hersenpan rondcirkelen.

Ze zijn de laatsten die de kleine ontbijtzaal binnenkomen. Het andere stel, zoals de eigenaresse hen noemde, blijkt een echtpaar van middelbare leeftijd te zijn. Ze worden door hen vriendelijk, bemoedigend lijkt het, toegeknikt. Pas wanneer ze een tafeltje hebben gekozen zien ze in een hoek een oude man zitten. De man is grijs. Alles aan de man is grijs. Zijn haar, zijn broek, schoenen, jasje, zelfs zijn handen, zijn borstelige wenkbrauwen en de huid van zijn gezicht lijken grijs, grauw. Wanneer hij ziet waar zij gaan zitten, staat hij op en gaat op een andere stoel aan zijn tafel zitten, zó dat hij hen niet zien kan.
“Hij mag zijn wenkbrauwen wel es laten permanenten”, giechelt Ella.
Hij lacht wat met haar mee terwijl hij naar de rug van de grijze man kijkt. Zijn gedrag bevreemdt hem en op de één of andere manier lijkt de hen toegekeerde rug afkeer of vijandigheid uit te stralen.  Als jongetje leefde hij voor complimentjes van zijn vader en moeder en kon hij uren van streek zijn door hun afkeurende blik of zelfs door hun ongeïnteresseerdheid wanneer zij te druk waren om meteen op zijn bouwwerkjes of tekeningen te reageren. Schoolvriendjes konden hem vreselijk kwetsen door iets onsympathieks tegen hem te zeggen. Nog steeds vindt hij animositeit moeilijk te begrijpen. De mans gedrag krenkt hem dan ook op een irrationele manier.

“Kom! Naar buiten!”
Ella heeft gelijk. De zon staat laag boven de duinen en strijkt over het strand. Zo’n honderd meter zee-inwaarts hangt een dichte mistbank. Soms komen flarden het strand op waar ze lopen. In zo’n mistbank is het graden kouder en Ella kruipt dan dicht tegen hem aan. Maar meestal is het op het strand heerlijk. Die ochtend lopen ze naar het volgende plaatsje aan zee waar ze aan het haventje lunchen. Vanuit het restaurant hebben ze uitzicht over het haventje. Het zijn meest plezierjachten die in- en uitvaren, maar soms doemt een enkele vissersboot op uit de mist en vaart de haven binnen. Dan is het korte tijd een drukte met kabels en netten. Koelwagens nemen de lading over terwijl de bemanning een oogje in het zeil houdt. Hij ziet een man van minstens 70 jaar geleund tegen een steunbeer bij de haveningang. Even denkt hij dat het de grijsaard van de ontbijttafel is, maar dan lacht de man, terwijl hij roepend een aanwijzing geeft aan de chauffeur van de koelwagen.  De man hoort overduidelijk bij de vissersboot. Wat een leven is dat, wat een leven heeft zo iemand gehad. Dag na dag dezelfde tocht, soms op zoek naar betere visgronden wat verder weg of dichterbij, maar het ritme van de dag steeds hetzelfde. Behalve natuurlijk op zondag, want op zondag wordt hier niet gewerkt. Alles dat op werken lijkt is dan taboe. Als je hier op een zondag zonder benzine komt te zitten, heb je pech gehad. Hij kijkt op. De koelwagen en ook de oude man zijn weg. De vissersboot ligt stil in de haven om morgen weer uit te varen.

Na de lunch lopen ze langs de haven naar het strand om weer terug te gaan. Het is vloed geworden. Het losse zand maakt het lopen zwaar. Wanneer ze laat in de middag terug komen in ’s Heerengorze, wint de mist terrein en is het ijskoud. Hij kijkt naar Ella. De mist heeft zich aan haar gehecht in minuscule druppeltjes op haar haar. Hij lacht.
“Wat?” Hij schudt alleen zijn hoofd en zwijgt. Rillend vallen ze hun hotelkamer binnen.  

IV
Mister Magno wordt voorafgegaan door een goochelaar. De jongeman - blonde lok over het gladde voorhoofd, strakke pantalon en zwierige boezeroen – heeft als ondankbare taak het weinige publiek op te warmen voor de hoofd-act. Zonder veel respons laten de toeschouwers, die behalve Ella en hij allemaal tot de plaatselijke bevolking lijken te behoren, de plichtmatige konijnen-uit-hoeden en doorgezaagde assistentes over zich heen komen. Wanneer het duidelijk wordt dat de illusionist zijn laatste truc heeft getoond, klinkt het applaus wat harder dan voorheen en bijna opgelucht.

Jorn haalt voor hen beiden een drankje bij de bar. Terwijl hij zijn bestelling van een bier en een witte wijn doorgeeft ziet hij dat andere bezoekers het houden op chocomel en appelsap. Een enkele durfal gaat aan de cappuccino. Alcohol is hier duidelijk niet populair. Dat wordt nog eens extra duidelijk wanneer hij op zijn flesje kijkt en ziet dat de uiterste verkoopdatum meer dan een jaar eerder is verlopen. Voor de zekerheid bestelt hij ook nog maar twee cola. Als hij weer naast Ella gaat zitten en haar wil waarschuwen voor de wijn, wordt de zaal verduisterd en zwelt onheilspellende muziek zachtjes aan. Verlichting in de vloer van het toneel schijnt op toneelmist in diverse kleuren.  Een spot zoekt over het toneel naar zijn doel. Mr Magno loopt het toneel op. Hij ziet er uit zoals Jorn had verwacht: een gedistingeerde, goed gekapte man in driedeling zwart kostuum. Zijn haar, snor en kort sikje zijn ook zwart. Magno komt vooraan op het toneel staan en is door de spot volledig uitgelicht. De muziek stopt. Dit is het moment voor een verwelkomend applaus, en Ella en Jorn heffen hun handen om te gaan klappen,  maar er gebeurt niets. Het is stil. Magno lijkt heel even uit zijn rol te vallen, maar hij herpakt zich en begint het publiek te bedanken voor hun komst. Het enige effect is dat de stilte dreigend gaat lijken. Magno gaat schijnbaar onverstoord verder en draait gladjes en routineus een inleidend verhaal af over de aard en geschiedenis van hypnose. Onvermijdelijk is daar dan het moment waarop Magno om vrijwilligers vraagt: “ ….voor een onschuldige demonstratie. Ik zal de mensen in trance natuurlijk goed behandelen, en als ze zich als een kip zonder kop gaan gedragen zal ik er persoonlijk op toezien dat hen niets overkomt!”
Het ‘kip zonder kop’  is voor iedereen in het publiek een duidelijke aanwijzing. Niemand reageert. Magno probeert het nogmaals en wijst het publiek erop dat hij zonder medewerking geen show kan maken.

“Handlanger van Satan!”
Wie het heeft geroepen is niet duidelijk, maar het is het signaal voor bijna iedereen in het publiek om beschuldigingen van dezelfde aard richting Magno te brullen:
“Hypnose is gemeenschap met de duivel! Weg met jou, wegbereider voor demonen! Antichrist! Kerk van Satan!”
Het publiek staat op en dringt naar voren. Jorn pakt Ella bij de hand en samen bewegen ze zich naar de zijkant van de zaal. Gefascineerd kijken ze toe hoe het publiek als één man  het lage podium bedreigt en beklimt. De ironie is, denkt Jorn, dat de dorpelingen wel onder invloed van een soort bezwering lijken te handelen. Magno is van het podium verdwenen en als de zaallichten aan gaan, komt het opdringerige publiek tot stilstand. Niemand weet goed wat er nu moet gebeuren. Anderen - jonger, meer opgegroeid in de stad, minder gezagsgetrouw - zouden misschien zijn gaan vernielen, hadden misschien met stoelen of decorstukken gegooid, maar deze dorpelingen, deze godsvruchtige, sombere lieden zijn stuurloos nu hun doelwit uit het oog is verdwenen. Schaapachtig staan ze op het podium.

Dan ziet Jorn een gestalte die hij kent. De grauwe grijze man van de ontbijtzaal kijkt hem aan en zijn ogen vlammen weerzin in zijn richting. De man doet een paar stappen in hun richting. Om hem heen volgen de dorpelingen zijn beweging. Zwijgend staat de man Jorn en Ella aan te kijken. De mans blik maakte Jorn ongemakkelijk. Het lijkt of hij een studie van hen maakt en daarbij iets ontdekt dat hem steeds minder bevalt. De walging is van zijn gezicht te lezen.
“Zonde!”, roept de man plotseling uit.
“Pardon?”, vraagt Jorn, verbluft.
“Jullie leven in zonde. De Heere verbiedt het samenzijn van hen die niet in zijn kerk tot man en vrouw zijn verklaard.” Hij kan de dubbel E bijna horen als de man het over de ‘Heere’ heeft en uit zijn mond klinkt het woord ‘samenzijn’ zonder meer obsceen. Zijn gezicht neemt de uitdrukking  aan die hij kent uit de kerk van zijn geboortedorp: een combinatie van vervoering en fanatisme waarbij hij zich altijd al slecht had thuis gevoeld. Hij voelt dat Ella naast hem verstijft, en hoewel hij weet dat tegen dit fanatisme geen kruid gewassen is en het enige dat je kan doen is het negeren, voelt hij zich genoodzaakt om iets te zeggen.
“Nou meneer…….”, begint hij zwakjes. Maar de man let niet op hem. Hij richt zich tegen Ella en gaat door: “Jij hebt hem hiertoe verleid. Het is jouw schuld. Zondig! Zondig ben je!”
Ella zegt niets, haar gezicht wordt rood terwijl ze naar beneden kijkt. Jorn voelt zich genoodzaakt iets te zeggen:  “Meneer, ik weet niet wie u bent maar dit slaat echt nérgens op. Hou op! Dit is schandalig!”
“Jullie zijn schandalig! ZIJ is schandalig! Jezebel! Lilith!”
Hij wijst beschuldigend op Ella, die steeds verder ineenkruipt. De mans uitbarsting trekt natuurlijk de belangstelling van de amorfe massa. Hoewel op de gezichten de nieuwsgierigheid nog de overhand heeft, voelt het als een bedreiging in de belangstelling te staan van al die vreemden die zopas hebben gemerkt dat ze een Bekende Nederlander kunnen verjagen. Deze adolescenten zijn van een veel minder kaliber. Ondertussen is de grijze man nog niet uitgetierd: “Was het niet Eva die Adam verleidde tot de eerste zonde? Was het niet Bathseba die David verleidde? Was het niet Delilah die met een list Samsons krachten ontfutselde?”

De rest van de meute dringt steeds verder op en onder aanvoering van de grijze man drijven zij Jorn en Ella in het nauw. Jorn pakt Ella’s hand en kijkt om zich heen. Het groene bordje dat de nooduitgang aangeeft toont een poppetje dat door een open deur wegvlucht.  Wegvluchten lijkt een goed idee en hij trekt Ella in de richting van de branddeur. Terwijl hij de stang naar beneden drukt en zo de deur opent kijkt hij om en ziet dat de massa weliswaar steeds angstaanjagend er oogt, maar tot zijn opluchting geen aanstalten maakt om hen te volgen.  Hij hoort de man nog brullen over een poel van zwavel en vuur en eeuwig branden, maar met Ella’s hand nog steeds in de zijne rent hij richting hotel.  


V
De terugweg naar Deemster is opnieuw een opeenvolging van stoptreinen. De geur van bezoedelde lucht lijkt wel in elk compartiment van elke trein te hangen. Misschien is het die zompige lucht die maakt dat ze hun mond niet willen openen om te praten. Na de stoptreinen komt de sneltrein en tenslotte hun fiets naar hun woonplaats. Bij het huisje van Ella aangekomen slaat Jorn zijn armen om haar heen. Ze voelt weerbarstig en afwezig, beschadigd.
Als hij Ella in de dagen daarna belt is ze meestal letterlijk afwezig en als hij haar wel te spreken krijgt is ze afwijzend en weigert ze met hem af te spreken. Na een week geeft hij het op. Hun vriendengroepen en vrije tijdsbesteding zijn zo verschillend dat ze elkaar niet tegenkomen. Als hij haar maanden later  van grote afstand ziet heeft hij niet de moed haar te groeten.








.



Monday, 20 May 2013

FLITS


Altijd als hij naar huis terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.

Hij verbaasde zich over deze gedachte, of beter gezegd: hij verbaasde zich over zichzelf. Het was een gedachte zoals andere mensen die hadden, mensen die niet alleen dit soort gedachten in hun hoofd hadden, maar ze ook hardop durfden uit te spreken. Het waren mensen die zich niet schaamden om te zeggen dat ze een stuk muziek mooi vonden, mensen die tot tranen geroerd werden door een schilderij, of mensen die kwaad werden om een boek. Hij vond het altijd lastig om met deze mensen te praten, om niet gegeneerd te raken door hun enthousiasme. Hij begreep hen niet. In zijn hoofd noemde hij deze mensen ‘war-mensen’. Dat betekende dat hij in de war raakte door hun geestdrift, maar zeker ook dat hij vond dat deze mensen zelf in de war waren. Zelf was hij niet zo. Muziek was muziek en verdreef de stilte zoals een schilderij een muur minder leeg maakte. En de enige boeken die hij las waren handleidingen voor zijn technische bouwdozen. Daar werd hij niet kwaad om, want als een bouwpakket  niet werkte las hij de instructies nog een keer om zijn eventuele fout op te sporen en dan begon hij opnieuw.

Het dorp waar hij woonde heette Deemster en lag aan drie kanten omsloten door een bos. De enige grotere weg eindigde in het dorp en leidde als nauwelijks meer dan een karrespoor door het bos naar de andere kant. Alleen tractors en voetgangers maakten er gebruik van. Alle autoverkeer in en uit het dorp ging langs de weg waarop hij nu reed. Hij zat op de oncomfortabele achterbank van het autootje van zijn ouders met een koptelefoon op zijn oren te luisteren naar muziek op zijn bandrecorder. De bandrecorder was één van de allereerste modellen die werkten op batterijen en daardoor draagbaar waren. Hij had het apparaatje voor zijn 14e verjaardag gekregen van zijn ouders. Met veel geduld had hij nummers van de top 40 van de radio overgenomen, zo zorgvuldig mogelijk de stem van de disc jockey vermijdend. Wat ergerde hij zich als zo iemand door een plaat heen praatte! Hij wilde de nummers van de eerste tot de laatste noot opnemen en beluisteren.

De rit heen en terug naar de woonplaats van zijn grootouders was lang en saai en moest minstens vier keer per jaar worden afgelegd. In de schemering zongen de Golden Earring toepasselijk ‘Back Home’ in zijn oren. Dit was de eerste keer dat hij bij terugkeer werd overvallen door die duistere gedachte.

Altijd als hij naar huis terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.

Dat was zeker waar in de winter. De schemering aan het einde van de middag maakte dat de bossen nog donkerder en dreigender leken dan tijdens zonniger jaargetijden. Gelukkig lag de donkerste tijd van het jaar achter hen.

Zijn vader reed het autootje achter het huis over het sintelpad. De winters van de afgelopen jaren knerpten onder de bandjes. Het donkere huis helde dreigend hun kant op tot zijn vader de achterdeur van het slot had gedraaid en het licht aan deed.

“Ik ben moe, ik ga meteen door naar bed”, zei hij en liep al de trap op. De volgende dag lonkte en in een streven zo snel mogelijk aan die verse vrijheid te beginnen wilde hij zo snel mogelijk zijn bed in om de slaap de tussenliggende tijd te laten uitwissen.

Het licht wekte hem. Zijn gordijnen waren niet volledig gesloten en lieten een straal zonlicht door. Wakker zijn en kunnen blijven liggen was een luxe die hij aan het ontdekken was. Hij had de kindertijd met z’n onbezorgde enthousiasme afgesloten, maar was nog niet een cynische puber. Hij genoot van het moment. Hij genoot van het idee dat buiten zijn kamer, aan de andere kant van zijn gordijnen de zon al volop scheen. Daar buiten was een wereld die op hem wachtte. En hij wachtte op het goede moment om er in te stappen.

Vorige week had hij een pad ontdekt in het bos, een pad dat hij tot dat moment niet kende. Het bos was uitgestrekt en hij en zijn vrienden bleven meestal op één of twee bekende plaatsen hangen om hun hutten, hun dammen te bouwen en – nee, het was natuurlijk verboden – hun  vuurtjes te stoken. Vorige week toen zijn twee beste vrienden eerder dan hij naar huis moesten had hij het pad ontdekt. Hij had wat door het bos geslenterd omdat hij nog geen zin had binnen te zitten. Zonder te weten waarheen hij op weg was, in gedachten verzonken, was hij gekomen op een plek die hij nauwelijks herkende. Het pad dat hij kruiste kende hij helemaal niet. Hij had het een klein stukje gevolgd. Het leek noordwaarts te voeren, want de zon was aan zijn linkerkant aan het zakken, maar meer wist hij niet. Vandaag zou hij meer te weten komen. Vandaag  zou hij dat pad volgen.

Zijn ontbijt at hij zittend aan de keukentafel. Hij maakte drie extra boterhammen, pakte een tupperwarebeker die hij vulde met melk en riep naar zijn moeder dat hij niet thuis zou zijn met het middageten. Hij propte zijn  proviand in de achterzakken van zijn spijkerbroek en stapte de achterdeur uit. Het was maar een korte afstand naar het bos, maar hij wilde een kleine omweg maken. Deze expeditie moest hij alleen  doen. Hij wilde niet het risico lopen dat één van zijn  vrienden hem langs hun huis zou zien gaan en dus moest hij hun straten mijden. Eénmaal in het bos aangekomen, wist hij al snel de plek te vinden die hem vorige week zo onbekend leek. En ook het pad richting het noorden –nu wist hij het zeker; de zon scheen op dit vroege tijdstip van schuin rechtsachter – was snel gevonden. Hij was bijna een beetje teleurgesteld: tot nu toe ging zijn ontdekkingsreis té makkelijk, met té weinig mysterie. Als het zo door ging, liep hij het pad af en kwam hij na een half uur in het volgende dorp.

Hij keek om  zich heen. Dit deel van het bos was anders dan het deel waar hij normaal kwam. Hier waren de paden en de stammen niet meer recht; deze bomen zouden nooit dienen als mast op een schip. De meeste van die bomen, die eigenlijk niet die naam mochten dragen, waren niet hoger dan hij zelf lang was. De stammen leken gemarteld, zo verwrongen waren ze. Het pad paste zich aan bij de begroeiing die het begrensde; het kronkelde zodat hij nauwelijks vooruit of achteruit kon kijken. En ook zijwaarts kon hij niet voorbij de eerste, misschien tweede rij bomen kijken. Het was alsof links en rechts naast het pad een donkere muur stond. Het pad zelf leek nergens heen te leiden. Hij besloot het te volgen. De richting leek niet uit te maken want door de kronkeling was het niet te voorspellen in welke richting het hem zou leiden. Hij had het gevoel dat het ook niet belangrijk was. De zon had al voldoende hoogte om over de korte boompjes heen te schijnen en hij liep soms in de zon, soms in het relatieve donker van de schaduw waar het pad hem voerde.

Toen hij nog veel jonger was hadden zijn ouders hem eens meegenomen naar een park waarvan hij de naam was vergeten. Zij hadden daar gepicknickt en zijn ouders waren een beetje jolig geworden van de witte wijn en de zon. Hij had hen alleen gelaten en was terecht gekomen bij wat eerst een dicht bosje leek, maar wat even later een doolhof bleek te zijn. Toen hij zich realiseerde dat er systeem zat in de paden door het ‘bosje’, was het te laat geweest en kon hij met geen mogelijkheid de weg terug vinden. Er zat niks anders op dan doorlopen en hopen dat hij iemand anders tegen kwam of toevallig de uitgang vond. In plaats van paniek voelde hij een kalmte over zich komen en hij genoot van het mooie weer, de stilte en het alleen zijn. Toen hij op een grote open plek kwam, waar in het midden een klein fonteintje stond, nam hij een paar slokken van het koele water en ging in het gras liggen. Nadat hij een droomloos half uur had geslapen stond hij op en liep zonder te aarzelen naar de uitgang. Zijn ouders hadden hem niet gemist want ze waren in slaap gevallen op de picknickdeken. De wijnfles was leeg.

Hetzelfde gevoel van kalmte ervoer hij nu terwijl hij het pad volgde langs de waanzinnige kronkels die het voor hem in petto had. Welk nut diende een pad als dit? Niemand zou dit pad volgen om van A naar B te komen, maar toch was het duidelijk een pad. Op de meeste plaatsen was het net iets meer dan een meter breed, maar soms versmalde het zich tot de helft daarvan. Een heel enkele keer leek het dood te lopen, maar als hij dan goed keek vond hij een doorgang en kon hij zijn weg vervolgen.  Nadat hij een uur het pad had gevolgd kwam hij bij zo’n versmalling waarbij het leek alsof hij tegen een muur van stammen en bladeren aan zou lopen. Hij wrong zich tussen twee armdikke takken door en keek om zich heen. Hij stond aan de rand van een open plek ter grootte van vier doorsnee huiskamers. De grond was redelijk vlak en begroeid met gras en tijm. Toen hij erover liep steeg de kruidengeur op en herinnerde hem eraan dat het al uren geleden was dat hij wat had gegeten. De plek was min of meer cirkelvormig en aan precies de andere kant van waar hij nu stond, bevond zich een klein hutje. Het puntdak was even hoog als de toppen van de bomen. Terwijl hij de open plek over stak hoorde hij het gekwetterd van een zwerm vogels. Hij keek in de richting van het geluid en zag dat ze opstegen uit het bos niet ver van de plek waar hij de cirkel was betreden. Hij liep door. De muren van het hutje waren gemaakt van palen. “Waar haal je hier palen die recht genoeg zijn?” vroeg hij zich af. Inmiddels was hij zo dichtbij dat hij kon zien dat er een ingang van hetzelfde hout was gemaakt. Hij besloot eerst om het hutje heen te lopen en zo vond hij aan de rechterzijkant een opening die je met enige fantasie een raam zou kunnen noemen. Hij keek erdoor naar binnen. Terwijl hij wachtte tot zijn ogen aan het donker in het kleine kamertje gewend waren had hij tijd om de vochtige, mossige lucht uit het huisje te proeven.  Het was een slaapvertrek van het eenvoudigste soort. Op de aangestampte aarden vloer stonden een keurig opgemaakt ledikant met een tafeltje naast het hoofdeinde en een kruk. Dat was al het meubilair. Op het tafeltje stond een klein vaasje met daarin een enkele roos. Hij dacht dat hij daaruit mocht afleiden dat het slaapvertrek aan een meisje of vrouw toebehoorde. Hij liep terug en ontdekte aan de linkerkant van het hutje een soortgelijke opening die hem een blik verschafte op een al even spaarzaam ingerichte kamer die diende als keukentje en eetkamer. Nog steeds geen teken van de bewoner. Bewoonster. De roos en het ontbreken van rommel bevestigden zijn eerste indruk dat hier een vrouw woonde. Maar waar was ze? Hij was nog niet aan de achterzijde van het woninkje geweest. Aan de achterkant was een deuropening. Vanaf die deur liep een pad – was dit waar zijn kronkelpad verder ging? – een pad liep het bos in. Hij volgde het. Het pad kronkelde iets minder en de begroeiing aan weerszijden leek iets minder dicht, de stammen iets rechter en gezonder alsof de nabijheid van de bewoonster een helende werking had en datgene wat de rest van het bos een ziekelijke aanblik gaf teniet deed. Tussen de stammen en bladeren door zag hij water. Hij kwam aan bij een vennetje, een meertje. Het water glinsterde in de zon en een enkele eend dreef op het water, af en toe de kop onder het oppervlak stekend op zoek naar iets eetbaars. Libellen en waterjuffers vlogen in onregelmatige, schokkerige banen boven het water. Aan zijn rechterkant was de oever niet begroeid. Daar zat, aan het water, de bewoonster van het hutje dat hij zojuist had gezien.

Meisjes hadden nog geen enkele rol van belang gespeeld in zijn leven. Ze waren er, net zoals er bomen waren in het bos of dieren in een dierentuin. Natuurlijk deed hij mee in de gesprekken van zijn klasgenoten over de meiden in de klas. Hun beginnende rondingen waren onderwerp van gesprek en een blik van één van hen in de richting van één van de jongens gaf aanleiding tot wilde speculaties wat zij allemaal zou kunnen en willen doen. Natuurlijk droeg hij zijn steentje bij aan die bespiegelingen, maar als hij eerlijk was wist hij eigenlijk niet waarover die gesprekken precies gingen. Hij wist wat mannen en vrouwen samen deden want hij had de plaatjes gezien die zijn klasgenoten soms meenamen naar school. Hij wist waarvoor het diende en hoe alles werkte, maar hij had al die lichamelijkheid en intense gevoelens nooit met zichzelf in verband gebracht. Het had allemaal niks met hem te maken. Hij deed mee met de gesprekken om zichzelf een houding te geven en erbij te horen.

Hij bleef staan achter de veilige beschutting van de stammen en bladeren en keek naar het meisje. Dat had hij dus goed geraden: het was een meisje.  Ze leek geconcentreerd bezig, gebogen over haar werk terwijl ze met haar rug naar hem toe zat. Hij zag haar gekromde rug, haar lange, bijna zwarte haar en de jurk die ze aanhad. Of ja, was het een jurk? Je zou het beter een gewaad kunnen noemen want het leek een primitieve, grof geweven stof en tamelijk vormloos. Door haar houding was de stof over haar rug gespannen en als hij had gewild, had hij haar wervels kunnen tellen. Meer op gevoel dan op uiterlijk schatte hij haar één, misschien twee jaar ouder dan hijzelf. Hij hield zich doodstil terwijl hij probeerde te zien wat ze aan het doen was. Ze zat van hem afgekeerd op haar knieën, zodat hij de zolen van haar blote voeten zag met de tenen half dubbel gevouwen. Die tenen vertederden hem; zo klein en zo in de verdrukking terwijl zij, de eigenaresse, er geen acht op sloeg. Zij was intensief met iets heel anders bezig. Een kleine vogel – was het een eendenkuiken? - was verstrikt geraakt in touw of in een net. Hij zag het niet precies. Het meisje probeerde het beestje te bevrijden terwijl het diertje in paniek fladderde en tegenstribbelde. Hij hoorde haar zacht tegen het eendje praten. Ze leek enig succes te hebben, want er kwam wat beweging: ze draaide zich half in zijn  richting en nu zag hij dat het eendje inderdaad in een net vast zat. Het meisje kon nu wat rechterop zitten en zij draaide zich nog wat meer in zijn richting. Hij hield zijn adem in. Hij wist dat Zij – de hoofdletter dacht hij er bij – dat Zij hem niet mocht zien. Hij keek naar Haar ernstige, aandachtige gezichtje dat hem nog meer ontroerde dan Haar tenen gevouwen onder Haar voeten. De rimpels van concentratie boven Haar neus deden hem denken aan een elfje met een serieuze missie. Eindelijk had Ze succes: met een brede glimlach van genoegen haalde Zij de laatste draadjes van het pootje van het diertje en zette het op de oever. Het beestje waggelde richting water en zwom zo snel als het kon weg van de plek waar het gevangen had gezeten. Het Meisje stond op en tilde haar gewaad tot boven de knieën toen Ze het water in liep. Hij kon zich niet verroeren terwijl Zij met een vage lach om Haar lippen door het water waadde. Ze schopte wat spetters en maakte een paar halve danspasjes in het water. Hij dacht dat hij Haar hoorde neuriën. Het gewaad nog steeds met beide handend op houdend, kwam Ze weer naar de oever, zijn kant op. Hij zag Haar knieën, de knieschijven nog rood van het erop zitten en de zachte huid van haar blote benen boven de knieën. Gelukkig keek Zij naar de grond, naar waar ze liep; er leek weinig gevaar voor ontdekking. Zij ging helemaal op in haar eigen gedachten. Ze ging zitten op een grote omgevallen boom. Ze had haar gewaad weer losgelaten zodat alleen Haar voeten er nog onderuit staken. Toen deed Ze iets onbegrijpelijks: Ze stak Haar arm uit, recht vooruit, terwijl Ze om zich heen keek naar de boomtoppen en tuitte onderwijl Haar lippen. Hij wist zeker dat hij Haar hoorde fluiten: korte, schelle tonen. Een lokroep. Ze hoefde niet lang te wachten. Een vogeltje kwam uit de top van een boom en zette zich zonder aarzelen op Haar uitgestoken hand. Het was een musje. Het was het allergewoonste vogeltje dat hij kende. Het beestje zat zonder angst op Haar vingers en leek Haar gefluit te beantwoorden. Het meisje hield op met fluiten en kort daarna maakte het musje ook geen geluid meer. Zij glimlachte naar het vogeltje. Hij stond aan de grond genageld toe te kijken toen Zij zich langzaam, terwijl Haar glimlach alleen nog maar stralender werd, in zijn richting draaide. Het vogeltje bleef al die tijd rustig zitten. Zij richtte haar blik in zijn richting. Zij keek hem recht in de ogen. Hij zag de donkerbruine irissen, de twinkeling, de vraag, de belofte in Haar ogen.

Hij stiet een geluidje uit en draaide zich weg. Weg van Haar, weg van het onbekende, weg van het antwoord op Haar vraag, weg van Haar belofte. Hij rende door het bos, takken en stammen ontwijkend, langs het hutje, over de open plek en terug in de richting van Deemster. Het kronkelpad leek zich te  hebben gerecht. Of waren het zijn angst, zijn opwinding, zijn onzekerheid die hem afleidden? Na een half uur afwisselend rennen en stevig doorlopen begon hij tot zichzelf te komen. Zijn adem werd kalmer en hij keek om zich heen. De zon stond inmiddels zo laag dat de verwrongen stammen haar licht tegenhielden. Hij durfde nu rustig te lopen. Langzaam kreeg het bos een minder vreemde sfeer en werd de omgeving bekender. Maar hij voelde in zijn armen en benen en in zijn borst nog de paniek waarin hij van het hutje, het meer en het meisje was weggerend.  Hij wist zeker dat er iets wezenlijks was veranderd door wat hij had gezien.

Eén gedachte was hetzelfde gebleven: altijd als hij naar huis terugkeerde, ging hij het donker tegemoet.

 

 

Saturday, 23 February 2013

Het laatste uur


Het duurt lang. Het is stil in het gebouw, maar na 5 minuten hoor ik dan toch het geklets en gelach. De klas tuimelt mijn lokaal binnen: “We moesten helemaal van de andere kant van het hoofdgebouw komen!” Mijn lokaal bevindt zich in een apart paviljoen en inderdaad is dat wel minuten lopen. Ik reageer niet. Sandy vraagt of ze naar het toilet mag en ik knik. Het bijzondere van deze klas is, dat ze bij binnenkomst niet op hun plaatsen gaan zitten maar altijd in groepjes in mijn lokaal blijven staan kletsen. Vandaag is het geluidsniveau nog hoger dan anders. “We zijn vandaag heel druk!!” roept Wendy. Langzamerhand gaan de jongens op hun plek zitten, maar de meiden blijven nog staan kletsen. Weer draait Wendy zich in mijn richting: “we zijn heel druk vandaag, meneer!”

Vrijdag het laatste lesuur. Een levendige HAVO 3 klas en vandaag lijken ze inderdaad nog drukker dan anders. Als Wendy dat nog een keer wil onderstrepen, sta ik op en zeg tegen haar: “Jullie druk? Dat zullen we nog wel eens zien.” Het feit dat ik nu sta is voor de meiden het signaal om ook te gaan zitten. Het geluidsniveau neemt een fractie af. Ik wacht. Zelfs in deze klas, zelfs op vrijdag het laatste uur werkt het. Binnen de minuut is het stil. Ik ga verder in het Engels. Met deze klas ben ik aan het begin van een nieuw hoofdstuk dat over mysterieuze zaken gaat als voorspellende dromen, déja vu, ontvoering door buitenaardse wezens en andere bovennatuurlijke verschijnselen. Ik besluit om niet meteen tot de orde van de dag over te gaan, maar eens te kijken of al die drukte en praatgraagheid niet kan worden gebruikt. Ik vertel dat we vandaag heel rustig gaan beginnen en dan langzamerhand steeds harder gaan werken. Ik vertel waar de les over gaat en dat ik heel graag wil horen wie er wel eens een enge droom heeft gehad en of we die mogen horen. De aarzeling duurt maar heel kort en dan vliegen de eerste handen de lucht in. Allemaal meiden. Natuurlijk alleen maar meiden. Imke begint: “moet het in het Engels?” Ik hoef haar maar één keer te helpen met de vertaling voor ‘achtervolging’, en dan vertelt ze in goed Engels over haar droom. Na haar volgen nog Kirsten, Marly en Simone en dan besluit ik dat het tijd is voor iets anders. Ik wil ze het verhaal vertellen van mijn grootvader die kon wichelroede lopen. Ik ben al begonnen aan het verhaal als ik me afvraag of ik het Engels voor wichelroede nog weet. Precies op tijd valt het woord me in. Tot mijn verbazing weten een aantal leerlingen nog wat wichelroede lopen is. Ik vertel over mijn grootvader die een jaren verloren gewaande trouwring terugvond. Tijd om de jongens uit hun schulp te lokken. Gelukkig reageert Mark op mijn vragen en vertelt dat hij er helemaal niks van gelooft en dat het allemaal gewoon toeval is. Meer jongens komen nou tot leven, zeker als ontvoering door buitenaardse wezens gespreksonderwerp wordt. De meesten zijn het met Mark eens dat dit toch wel heel ongeloofwaardig is. Déja vu wordt herkend: de meesten hebben wel eens iets gezien of gehoord waarvan ze zeker waren dat ze dat al eerder hadden meegemaakt.

We sluiten af met een gesprekje over leven op andere planeten. Iedereen is het erover eens dat de aarde niet de enige planeet is waar leven is ontstaan. De discussie over hoe dat leven er dan uit zou kunnen zien doet me denken aan een grap. Ik vertel de mop en als ik de punch line heb uitgesproken loop ik naar mijn bureau terwijl de eersten beginnen te lachen. Sommigen moeten door hun buurtje geholpen worden met een vertaling, maar terwijl ze nog glimlachen of grinniken heb ik besloten dat het tijd is om een luistertekst te laten horen. Natuurlijk over een jongen  met een angstig voorgevoel.

Als ik ze daarna de tekst op papier voorleg en de verschillende rollen laat lezen, en een enkele keer moet verbeteren, bedenk ik me hoe vaak ik in de afgelopen 32 jaar niet heb moeten uitleggen dat de ‘e’ in de verleden tijd, in woorden als turned en worked niet wordt uitgesproken. Na het lezen is het tijd voor verwerkingsoefeningen. Ik leg ze uit en zeg dat wat niet af is, huiswerk is voor de volgende les.

Het is doodstil en er wordt keihard gewerkt. De bel gaat. Weekend.

Sunday, 12 August 2012

Return Journey



He went to the only window in the small station. Of course there was no electronic ticket dispenser here. In this small town you bought tickets from a real person. She was sitting in a small cubicle on a swivelling chair that had seen better days. Her weight pushed the stuffing out through several tears in the fabric that covered it. She looked up when he approached the window and pushed the button so he could speak into the microphone. He nodded once. Single to Norwood. She hit some keys on an old-fashioned machine and tore off a ticket. It had been years since he had seen a ticket like this. He looked around to see if he could pay by card. That advanced technology hadn't reached this place either. He paid cash. She pulled the sliding tray under the window towards her, took out the money and threw in his ticket and change. He pocketed the change and felt the ticket. Thick, coarse yellowish paper about one inch by three like he remembered from when he was a kid and travelled to his grandparents every fortnight.  Elmkirk - Norwood it said in bold letters. And single fare under that in smaller ones. Apart from the price, that was all the information on it. He wanted to ask the lady if trains were running on time, but she had gone back to her magazine so he would only be talking to finger stained glass.

He walked to the door which gave onto the platform. There were only two tracks. He had to cross them to reach the platform where he could board his train. He was still feeling his ticket while looking at the signs on the platform. When he looked down at  the tracks he noticed how little used they were. The shiny strip that ran along the length was only half an inch wide. He had almost reached the other side when, very near, he heard the horn of a train. He looked up and saw it coming at him at full speed. How had he missed hearing it? Its horn sounded again, deafening. He jumped the final three feet to safety. When he was on the platform, he turned round and saw that he had narrowly escaped being run over by an old diesel engine. It was going so fast that he only saw its rear. It sounded its horn one last time.  The Doppler shift gave the sound an eerie, musical effect. His heart took its time returning to its normal speed. He tasted blood in his mouth. Had he bitten his tongue?

They had come up here by car - he, his wife and two kids. They had planned to spend a week in this remote part of the country to get away from it all. Both of them had been working much too hard lately and had seen too little of the children. They wanted to do things together, to be a family again. It had failed miserably. They had quarrelled, and as a result the kids had been demonic. Last night he and his wife had fought again and he had decided it was enough. Their plan had backfired, for instead of retrieving the old sense of intimacy it had only become evident that they  were now strangers. He would go back to their home a few miles outside Norwood. Both would try to answer the question if their marriage could still be salvaged. He had left the car for his wife and kids to use and come back in. He would go by train.

He spit into a tissue. It was a little pink, but he didn't think serious damage had been done. His tongue felt sore, though. He didn't think he would be able to speak much. He looked at the sign again. It was a flip-over enamelled one. Norwood and the time. A wait of fifteen minutes. Not bad, considering that only two trains stopped here every day and he had gone to the station without checking the times. He saw there were no overhead wires, so the only trains that could run down these tracks were diesel trains or steam trains. He had heard they were still used in some parts of the country.

All week the weather had been sordid but when he had woken up this morning the sun had been shining and by now it had warmed up nicely. He took off his coat and sauntered to a drinks machine. No one else was waiting for this train. He took a sip and felt his tongue where his own teeth had bitten down on it. The pain subsided quickly, though. When earlier that week his youngest daughter had grazed her knee she had not allowed them to forget about it for more than five minutes. He suspected his older daughter of making her sister fall deliberately. With a persistence that is characteristic of children the youngest had kept on about it. It had been typical of that week. Every little incident had been magnified by their inability to forget or forgive. Every tiny wound was kept fresh and raw. He didn’t see how they could live together again. They had forgotten how to.

When the train arrived he got on with a feeling of finality. As he had expected it was an old diesel train. There was a gangway and small compartments that sat six. As far as he could see, he was the only passenger on this train. He opened a narrow sliding door and entered. He put his coat on the seat opposite and sat down. There was a faint stale, musty smell. For the second time that day he was reminded of his grandparents’ house. Although he hadn’t seen a signal or heard a whistle, the train started moving. It wasn’t long before they had left the few buildings and houses of Elmkirk behind. He leaned against the headrest of the high seat. The bright sunlight warmed him. He dozed off.

When he opened his eyes, he realised they were pulling out of a station. For  a moment he panicked but he calmed down when it was clear that he hadn’t missed his stop. It had just been another small town. He checked his mobile to see if he had any messages, but of course he still had no signal. He had always assumed that the network would cover the entire country, but these parts were blind spots on the map. When he was putting away his phone, he caught a movement from the corner of his eyes. He looked up and saw someone standing in the gangway, trying to slide the door to his compartment open.  A young woman got in.
- Shall I sit here?
He nodded his consent. But why? He thought to himself. The entire train is empty, so why sit here? And what to make of the funny way she had phrased her question? She tossed her backpack in the overhead rack. It was an old-fashioned model, made of drab coloured material. With a smile she took off her coat and sat down.
- Hot!
Again he nodded, afraid that his sore tongue would make him sound like an idiot. While she opened the book she had been holding, he studied her. He guessed she was between twenty and twenty-five years old. She was wearing a pleated dress that covered her knees, a blouse with polka dotted lapels and a woollen cardigan. Her hair was done up in a style that he knew was called French pleats. The book she was reading looked familiar. He couldn’t see its title yet he knew that it was a book by Enid Blyton, called “The Boy next Door”. Now, how could he possibly know that? Which of the women he knew had been reading that same book?

Although he didn’t wish to be caught staring he looked at her again. There was something familiar about her, about her brown eyes, about her dark hair and especially about the curve of her lips. Her features, her mere presence, somehow made him feel good. The memory of the past few days – those horrible days – faded. In its stead a feeling of being at home, of belonging, came over him.
Then when she looked at him again, it came to him in a rush. Realisation swept over him. The impossibility of what he thought he knew was cancelled by her words:
- Do you promise to be a good boy when we get to Gramps and Granny?
- Yes Mother, he heard himself say.

Friday, 27 July 2012

Herinneringen aan een jongetje


Altijd vakantie en altijd zomer. De plek in mijn hoofd die is gereserveerd voor herinneringen aan mijn jeugd is zonnig en warm. Natuurlijk kan ik me ook hele koude winters herinneren, zoals de winter dat mijn broertje werd geboren. De sneeuw lag toen metershoog opgewaaid tegen de achterkant van het huis. Of de ijsvlakte van het ‘oude meer’ waar we heen gingen om te gaan schaatsen. Maar als een landschap, een geluid of een geur me aan die tijd doen denken is het eerste beeld dat zich aan me voordoet een zonovergoten korenveld met in de verte een torenspits. 

We speelden buiten. We waren wel eens binnen – televisie was nieuw, zwart-wit en het beeld wilde maar niet stilstaan – maar meestal waren we buiten van ontbijt aan de keukentafel tot bed. We voerden onze expedities uit naar de oude toren, het overblijfsel van de kerk na de brand van tien jaren daarvoor. De plaats van de afgebrande spits was ingenomen door gras en zelfs een boompje dat daar ongemakkelijk in het oog sprong als een diepzeeduiker op een berghelling. Het lege karkas van de toren nodigde uit om te worden beklommen en tot de dag dat een jongen die we niet kenden enkele meters van de stenen trap viel en de ruïne werd afgesloten deden we dat zonder onze ouders te vragen. We ontdekten het bos en de grote zandvlakte waar we munitie uit de tweede wereldoorlog vonden. Die oorlog was meer dan twintig jaar daarvoor  afgelopen maar nog steeds vonden we meestal ongevaarlijke koperen hulzen onder het witte stuifzand. De verhalen van vrienden die iemand kenden die had gehoord van wéér iemand anders die nog volledige mitrailleurkogels had gevonden zorgden voor plezierig spanning als we over die woestijnachtige vlakte struinden.
De Dommel met de kerk van Breugel
Het zwarte water van de Dommel had een grote aantrekkingskracht, maar overal waren de oevers te steil, de stroming te sterk en de vervuiling te weerzinwekkend om daaraan toe te geven. Gelukkig had het riviertje midden in het bos een afgesneden meander, een vroegere bedding waar geen stroming was, waar de oevers toelieten dat we er speelden in het witte zand en donkere modder en waar geen vervuiling was, maar stekelbaarsjes en eenden. We bouwden er vlotten en dammen die ons nooit brachten waarvoor ze waren bedoeld: de overkant van die ‘dooie arm’.  We maakten onze eigen wereld en speelden onze eigen verhalen.
Verhalen…daar leefden we van. Terwijl de generatie net boven ons leek te snappen wat er in Parijs gebeurde en een halve wereld bij ons vandaan in het mythische Amerika zwarte en blanke leiders werden neergeschoten door mannen met namen van cowboys of sultans beleefden wij ons eigen drama.
Rik, Robbie en ik vormden de ongemakkelijke kern van mijn grotere groep vrienden. Robbie woonde om de hoek, zó dichtbij dat we eens een kabel tussen onze huizen legden om een intercomverbinding te maken. Het was een wonder dat dat mocht, want Robbie’s ouders waren van het zwijgzame, afwijzende type. Alles wat wij in en om hun huis wilden doen, zou slecht kunnen zijn voor het gras of voor het parket. Robbie ging gebukt onder de afkeuring van zijn ouders, want hij voelde sterk de noodzaak om zich tevoren te verontschuldigen voor de mogelijkheid dat we niet bij hem thuis terecht konden. Al vroeg leerde hij omgaan met beperkingen en hij bezat zodoende een nuchtere realiteitszin.
Rik was een romanticus. Hij woonde met zijn ouders en zijn paar jaar oudere zus in het meest geheimzinnige deel van ons dorp. De huizen stonden er weliswaar in rijtjes, maar aan bospaden in plaats van aan straten en waren omringd door hoge bomen en een bosperceel. Rik’s huis was daardoor altijd donker. Het hielp ook niet dat zijn ouders een voorkeur hadden voor donkere kleuren: tapijten, kasten, parket: alles had dezelfde donkerbruine kleur. De tuin achter het huis liep als vanzelf over in het bos. In het deel waarvan je je kon afvragen of het tuin of bos was, had Rik’s vader lang voor ik hem leerde kennen een minihuisje gebouwd. Oorspronkelijk bedoeld voor Rik’s oudere zus, die er ondertussen letterlijk uitgegroeid was, bezat het nog een paar meisjesachtige kenmerken als een keukentje, kussentjes en gehaakte gordijntjes voor de raampjes. Klein als we waren, pasten we er nog net in, en we maakten het tot ons domein, ons hoofdkwartier. We konden hier onbespied onze plannen maken.  
Natuurlijk was het Rik die als eerste de verhalen uit het dorp te horen kwam. Het drama van een peuter die was verdronken in de Dommel, militairen die als oefening een Baileybrug over het riviertje aan het leggen waren: Rik wist het als eerste en wist ons te overtuigen op zoek te gaan, te gaan kijken of mee te doen. Ik zeg “ons”, maar vaak was Robbie er niet bij omdat hij niet mocht van zijn  ouders - hij had net nieuwe kleren aan – of omdat hij domweg Rik’s verhaal niet geloofde. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Rik inderdaad wel eens een verhaal verzon omdat hij zich verveelde of om te kijken tot hoever hij kon gaan met zijn fantasieën. De landelijk beroemde filmster die op het terras van het plaatselijke café zou zitten werd bijvoorbeeld door ons nooit aangetroffen. Soms verzon Rik dan een verklaring – vast al weer weg – maar soms gaf hij ook toe dat het een verzinsel was. Zijn excuus was dan dat “we toch plezier hadden gehad?”
“Er is een vliegtuig neergestort!” We hadden ons al een ochtend lang zitten vervelen en toen we na de lunch weer bij elkaar kwamen, riep Rik ons al van een afstand toe. Robbie was sceptisch: ”Dat zeg je alleen maar omdat we niks te doen hebben.” Ik geloofde het aanvankelijk ook niet: wat is de kans dat zo iets in ons dorp zou gebeuren. Maar Rik was heel vasthoudend: “Jawel, écht waar, hij is op een boerderij neergestort en de brokstukken liggen in het weiland. We gaan kijken!” Ik was al overtuigd en ook Robbie, waarschijnlijk onder het motto ‘er is vandaag toch niks beters te doen’ liet zich meetronen. Op dat moment hoorden we brandweerauto’s en zagen we in de verte de zwaailichten anders hadden we geen idee gehad waar we het mythische vliegtuig zouden moeten zoeken. “Is het een Starfighter?” Het toestel met de kenmerkende vorm en onheilspellende motorgeluid scheerde bijna dagelijks over het dorp. Maar zelfs Rik wist niet welk toestel het was.
Aangekomen bij de laatste huizen van het dorp waren we de brandweerauto’s al lang uit het oog verloren. “Zullen we terug gaan?”  vroeg ik. “Ik wil die brokstukken zien! Ze zeggen trouwens dat ook de piloot er tussen ligt.” Deze informatie had Rik nog niet eerder gegeven. “Ik bedoel om onze fietsen te gaan halen”, zei ik. Tien minuten later waren we op dezelfde plek, maar nu met fietsen.
We hadden maar een vaag idee in welke richting de brandweer was gereden. De zwaailichten waren niet meer te zien en hoe goed we ook luisterden, we hoorden geen sirene meer. “Als de piloot z’n schietstoel niet heeft gebruikt, istie dus dood”, zei Robbie. Rik en ik keken hem aan. De blik in Robbie’s ogen spoorde Rik aan om er nog een schepje bovenop te doen: “Als ie nog in z’n vliegtuig zat toen het neerkwam, liggen zijn armen en benen en zo ook tussen de brokstukken.”
Er zat niets anders op dan zigzaggend door het Brabantse landschap te fietsen in de hoop dat we ergens iets van rook of vuur of beroering zouden zien. We lieten de bossen links liggen en concentreerden ons op het boerenland, de korenvelden die toen nog niet waren vervangen door de velden vol manshoge maïs die je elk uitzicht benemen en de weilanden. Zover we konden kijken lag het landschap er vredig bij. De enige levende wezens de roodbonte koeien die herkauwend ons met bolle ogen aan staarden terwijl we voorbij reden.
Na een uur was er nog geen spoor van het vliegtuig en Robbie en ik werden ongeduldig. We begonnen te praten over teruggaan want de 20 cent die ik had brandde in mijn broekzak: die rijkdom moest worden uitgegeven aan ijsjes. De enige ijsjes die we kenden waren waterijsjes; de luxe van roomijs was ons onbekend en zelfs als we dat hadden gekend was het toch onbetaalbaar geweest. We kochten altijd dubbele waterijsjes; ijsjes met twee stokjes die je doormidden kon breken en zo kon  delen. Voor een dubbeltje had je een dubbele en als de ijsverkoper je vriendelijk gezind was, verkocht hij voor een stuiver een halve als je gezelschap of geld tekort kwam. De manier om die ijsjes te eten was de siroop er uit zuigen, zodat je een koele limonadesmaak in je mond kreeg. Het overgebleven ijs, brokkelig krokant geworden, hapte je daarna van het stokje.
Rik wilde natuurlijk niet van teruggaan weten. Hij haalde wat haastig ingepakte koek uit zijn zak en wist ons te overtuigen: “OK, we stoppen hier even en eten wat. Want als we het vliegtuig vinden zijn we nog niet thuis, natuurlijk.” Robbie stapte met bedenkelijke blik af. Als we niet op tijd thuis waren voor het avondeten was hij degene die de grootste problemen met z’n ouders kon verwachten. We zochten een plek in een korenveld. We moesten natuurlijk onze fietsen en ons zelf verstoppen, want de brandweer zou ons meteen terugsturen als ze wisten waar we naar op weg waren. Als we zaten vormde het koren een beschermende muur om ons heen. We waanden ons onzichtbaar. Het werd ons al snel duidelijk dat we dat niet waren. Over de weg die we zojuist hadden verlaten kwam een man aangelopen. We hoorden zijn zware voetstappen en toen hij dichterbij kwam ook zijn grove verwensingen. De enige van ons drieën die het plaatselijke dialect een beetje meester was, was Robbie. Rik en ik waren beiden import. Robbie fluisterde: “Weg! Weg hier!” Rik en ik moeten hem dom hebben aangekeken maar de angst op zijn gezicht spoorde ons toch ook aan tot opspringen en de fiets te pakken. Toen hij ons zag, startte de boer een sprintje in onze richting. Ondanks dat hij bijna onverstaanbaar plat praatte, schreeuwde, werd het Rik en  mij nu ook duidelijk dat hij het ons heel kwalijk nam dat we zijn koren hadden geplet met onze fietsen en achterwerken. Het duurde te lang voordat we de snelheid van onze fietsen konden gebruiken om aan de boer te ontsnappen, maar gelukkig was het Rik, die hij kon vastgrijpen. Rik, met zijn blonde haar en onschuldig engelengezichtje, kon de man overtuigen dat dit écht de eerste keer was dat we zoiets deden. We begrepen dat de man al dagen op de loer had gelegen om te zien welke ondeugden van zijn korenveld een speeldoolhof maakten. “Wij niet, meneer, kijk maar….we zijn alleen op dit plekje geweest.” Rik was heel overtuigend. Uit de onverstaanbare donderpreek maakten we op dat de boer weliswaar overtuigd was, maar ons nog even mee wilde geven dat hem dit wel honderd gulden of meer kostte. Rik was zó overtuigend, dat de man hem uiteindelijk een aai over zijn bol gaf. Dat maakte dat Rik hem durfde vragen: ”Weet u waar het vliegtuig is neergestort?” Voor een vertaling van het antwoord keken we naar Robbie: “Ik geloof dat ie zegt een half uur in de richting van Boekel.”
Geen van ons had enig idee waar Boekel lag, maar we fietsten in de richting die de man had aangewezen. Langzaam werd het ons duidelijk dat we in de goed richting gingen, want het werd allengs drukker. Mensen, opgewonden pratend, liepen, fietsten dezelfde kant op als wij.
Zomaar in het land, een weiland zonder koeien, was een enorme voor getrokken. Eén groot brokstuk – de motor – lag als een nonchalant weggeworpen stuk speelgoed aan het eind van het omgeploegde stuk grond. Verbaasd keek ik in het rond: waar was de rest? Een groot stuk van het weiland was afgezet en binnen de afzetting waren mannen aan het zoeken. Althans, dat maakte ik op uit hun houding. Langzaam liepen ze naast elkaar, onderwijl ingespannen starend naar de grond. Nu ik goed keek zag ik her en der wel kleinere brokstukken. Blijkbaar zochten ze die niet, want zelfs als ze er bijna bovenop stonden, liepen ze door. Af en toe bukte één van de mannen zich, om iets te bekijken en vervolgens in een plastic zak te doen. Minstens tien van deze mannen, met witte handschoenen en ondoorzichtige plastic zak liepen zo rond.
Op het moment dat ik me omdraaide naar Rik en Robbie, zag ik het antwoord op mijn vraag op hun gezichten. We beseften ons tegelijkertijd wat de mannen verzamelden. Zonder iets te zeggen pakten we onze fietsen en reden zwijgend naar huis.
Het duurde een paar maanden voordat Rik ons verraste met een nieuw verhaal.

Sunday, 12 September 2010

Initiation



“You’d better come with me”, Molin said, not unkindly. This was surprising, as she was not known for her friendliness. Marlin had feared this moment. As long as he could remember he had known it would come. It was inevitable for any young male of the flock, and it was surrounded by mystery. Marlin had seen his elder brothers and their friends disappear for days after a similar summons from Molin.


The old female lived in a part of the expanse where no one voluntarily visited. She came into the more densely populated areas only to collect food and clothes or take the older boys. Marlin wondered if his brothers and all the others who had been called upon had also been surprised at Molin’s uncharacteristic and unexpected kindness. He had marvelled at the old hag’s presence for as long as he could remember. Come to think of it, no one had ever told him what her exact status or even role was in their community. She had just been there. Always. And every once in a while she came to the little cluster of dwellings where most of them lived.


Molin was said to be one of them, but Marlin wasn’t entirely certain about that. The few times he’d seen her she seemed to him slightly different from the rest of them. It wasn’t quite noticeable, and Marlin could understand that many of his flock assumed she was of their race. It was hard to see, her being so old and wrinkly, but he could detect a small difference, a foreignness that he couldn’t explain by telling himself how old and weathered she was. He imagined he could hear it in her accent: the vowels a little too short, the consonants a little too harsh, as if she were biting down on them. Marlin had always reasoned that this unfamiliarity was the cause of the fear she inspired. There was no doubt that even the older members of the flock were in awe of her. In the community she held a unique position. Even when she had been younger, she had been provided for by the other members. When youngsters came to an age when they understood the workings of their society they naturally started asking questions about this old crone who never had to ask for anything, even though she had no living relatives. Her every need was catered for by all members of the flock. Old and young, of great stature and lowly birth, they all did their bit. Inquisitive youngsters were discouraged from asking too many questions about old Molin.


At irregular intervals she came to them. Sometimes only to receive food or clothes, sometimes to specify just what it was she needed. And sometimes she took a young male with her. These were always returned within two days and upon return seemed none the worse for wear but they never divulged what had happened to them in the time they had supposedly spent with Molin. When asked about it, most simply turned away. Some kept their gaze on the speaker and seemed to go dumb.


Of course there had been those who had not gone with her. They had had to leave the flock and were never heard of again. They were never spoken of again. They became outcasts. When Molin called, you answered that call. Marlin remembered his brother’s friend, Moran. He had been one of the very few who had refused to go with Molin when his time had come. As soon as word got round that Moran had resisted the summons the tribe’s ranks had closed against their former friend, brother and son. As far as they were concerned, he had simply ceased to exist. Overnight, Moran’s life had become hell. Driven away by shame, fear and hunger he had left the flock, which meant an almost certain death. This was two winters ago and nothing was heard from him again.


Now it was Marlin’s time.


Those piercing eyes that contradicted her friendly tone of voice, the malicious looking curve of her spine, the stooped shoulders and especially the acrid smell that she gave off and hit him in wafts all frightened him. But all that was nothing compared to the fear he felt when he realised he had no other option than to go with her and be subjected to whatever it was she had in store for him. What was this hag going to do to him in the next two days? Where was she going to take him? Revulsion and fear created a hot, hollow feeling in his stomach when he simply nodded. She turned away from him and started to walk towards the last of the small dwellings, into the direction of her part of the woods. Marlin followed. His legs felt as if they had died, he dragged his feet. He looked at the witch’s back when she spoke: ”you’ll feel better soon”. This time all pretence at friendliness had gone from her voice. The snicker Marlin thought he heard added to the feeling that it was said by way of threat rather than assurance.


It wasn’t long before they reached the clearing in the forest where Molin’s dwelling stood. It looked like any other hut that their people had built since they had moved here long before even Marlin’s grandfather had been born. When he entered through the small door, however, he was struck by that same smell that exuded from Molin herself. Only this was a thousand times stronger. It felt as if he was hit in the face with a clenched fist. She saw him flinch. Once more she snickered. “Don’t sit down. We’re only staying here a minute”. Marlin looked around. The place was filthy. Part of the smell was explained by the worn, dirty clothes that lay strewn on every surface. Partly it must have been caused by the uneaten remains of food on several plates on the rickety table and on which maggots and cockroaches were now feeding. Marlin saw Molin rummaging through some boxes in the darkest part of the room, all the while muttering under her breath. After a few minutes she let out a faint cry of joy and he saw her putting away something under her clothes. “Come!” And with that monosyllabic command she ushered him out the door.


They were walking again. Marlin no longer recognised the woods surrounding them. Molin seemed to pick her way through the trees randomly. It was all he could do to follow her. The thought crossed his mind that if he now stood still, she might not even notice that he was no longer with her. But where would he go? Who could he turn to? The hopelessness of his situation paralysed his mind. His body moved on, of its own accord.


Numb with fear, exhausted from walking, shivering with anticipation Marlin noticed they had stopped. For the first time in hours he looked around him. The forest was quiet. He only heard – and smelled- Molin’s breath. No breeze in the leaves. Worse: no leaves. The branches and twigs of these trees ended not in leaves, but in small stumps that looked leathery. The trees themselves looked gnarled as if they had been in great pain while they were growing. There was no undergrowth, or rather: the trees were the undergrowth. They looked hundreds of years old, but were hardly taller than Marlin himself. In a forest like this it came as no surprise that there were no birds.


“Here!” said Molin. He turned round, avoiding her eyes. But he need not have feared. She was facing away from him, looking at what appeared to be the entrance to a cave. He started moving towards her because he thought that was what was expected of him. When he came to within four feet she hissed: ”stop!” He halted. And looked at the cave. Was something moving inside? Suddenly Molin started to make a high, penetrating sound. Marlin took a step backwards and started to raise his hands to his ears when all of a sudden Molin’s voice fell and the piercing sounds started to make some sort of sense: she was chanting. He realised she was chanting to whatever lived in the cave! Now he knew that something in there was alive. Now he knew that whatever was inside that cave was the reason for his being here. Was he to be sacrificed to the being in the cave? But how could that be? All those who had gone before him had returned. That thought gave him a small measure of courage.



Still chanting, Molin moved towards the cave and sure enough something inside stirred. She motioned to him to follow. His eyes slowly adjusted to the darkness inside the cave so it took him a while to discern the being that was towering over him. It was about twice his height. Its head resembled that of an insect. To the side of its beak two antennae were slowly moving, swaying. So was the head. It moved to the rhythm of Molin’s chanting. Two pairs of legs - the ones he could see- moved too. Cold triangular eyes with a metal sheen were pointed in Molin's direction. They seemed to be following her movements, but how could he be sure? Eyes like that, without irises, without pupils, how could you tell what they were looking at? The chanting stopped. The silence felt cold. The eyes of the beast turned upon him. The sheen seemed to get darker and take on a purple gleam. Marlin could not help himself: he had to move further into the cave towards the monstrosity. As it moved back, further into its lair, it drew him with it as if on an invisible rope. Powerless he went deeper and deeper into the cave, barely registering the fact that Molin followed at a safe distance. From the corner of his eyes he saw a wooden construction on the floor that looked like an instrument of torture. It looked like a rack. Instinctively he knew that he was supposed to lie down on it. As he had lost all will-power he went to the rack and lay down. He would have to go through with this. It was useless trying to resist, even if he had somehow found the physical strength to do so. Lying on the rack he sensed Molin approaching. “Turn”, she growled. He turned on his stomach. She came even closer and put clamps over his arms and legs. He now lay sprawled and helpless on the wooden bed. Cackling and muttering to herself, Molin moved out of the way. Out of the way of the gargantuan beast. Marlin felt rather than saw it move above him. When he dared open his eyes, he saw legs on either side of him. He felt body heat on his back, buttocks and the back of his legs. Something vile dripped in his neck. The behemoth lowered itself on top of him. A foul smell reached his nose. He felt the monster’s legs pressing in his sides. His head was forced so that he was looking straight down, to the floor. Now he felt the front legs, or was it the antennae, force his head to the front, on his chest, so that his neck was exposed. Something touched his skin there. Something hard and sharp but still organic as if someone was pressing long fingernails into his skin. He felt the skin break, he felt drops of blood –his own blood!- run down his neck. He heard them fall to the ground. Somehow that made it more real. He was being violated in the most horrible way! The giant insect’s proboscis entered his neck. He felt it find its way to the base of his skull. Why was he still conscious? He wanted desperately to lose consciousness. He wanted to be somewhere else, someone else, anything! He heaved; threw up when he felt the fiend shudder. Something was squeezed out of the funnel-like organ and placed under his brain. He felt it take hold. He felt it monitor his brain. He was certain that it was alive. Vaguely he heard Molin laugh her malicious laugh. He felt the stinger leave his body. He felt the beast lift itself from his body. It was over.


He knew that whatever it was that was lodged next to his brain would enslave him but would one day also save him.